Hoofdstuk 8 uit 'De bal van meester Volmaker'

Vlierbessensap

Die volgende ochtend werd Caspar laat wakker. Best geslapen had hij niet, daarvoor was de plank te hard. Maar het wakker liggen kwam goed uit, want zo kon hij rustig nadenken.
De wachter was afgelost door een man die duidelijk niets met de gevangene te maken wilde hebben. Op Caspars ‘goedemorgen’ had hij gereageerd met ‘daar zou ik maar niet zo zeker van zijn.’ Verder had hij er het zwijgen toe gedaan. Gezellig was anders, maar Caspar haalde zijn schouders op en ging zijn eigen gang. Hij waste zich met water uit de emmer, deed zijn oefeningen en pakte de fluit. Welk lied zou hij spelen? Hij probeerde het ene na het andere wijsje, maar geen enkele ervan maakte hem blij. Dat gebeurde wel vaker. Alles op zijn tijd, dacht Caspar. Hij legde de fluit weer weg en ging op de plank zitten om te wachten op wat er komen zou.

Lang hoefde hij niet te wachten. De eerste minister verscheen en bekeek hem nieuwsgierig door de tralies.
‘Goedemorgen’ zei Caspar rustig.
‘Eh, goedemorgen Caspar’, zei de minister. Hij leek teleurgesteld dat hij geen snikkende jongen aantrof. ‘Openmaken’, zei hij tegen de wachter en ‘meekomen’ tegen Caspar. Die pakte zijn knapzak, knikte vriendelijk naar de wachter en volgde de minister de gangen door en de trappen op. Even later stond hij weer in de troonzaal voor de koning, die deze keer zijn kroon op het hoofd had.
‘Het spijt me Caspar, ik had het gisteren te druk om nog met je te praten.’
‘Dat geeft niet koning. Vandaag komt mij eigenlijk ook beter uit.’
Caspar zag tot zijn tevredenheid dat de koning en de minister elkaar mismoedig aankeken. Ze beseften dat hun plan om hem eronder te krijgen met een nacht in de cel, mislukt was. 
‘Nou, des te beter dan’, zei de koning ten slotte. ‘Laten we ter zake komen. Ik wil de bal van je kopen of levenslang huren. Wat wordt het?’
‘De bal is mij in bewaring geven door mijn meester.’
‘Ja dat weten we nu wel. Maar die meester van je is dood, nietwaar?’
‘Dat weet ik niet, koning.’
‘Het doet er ook niet toe. Verschuil je nu niet achter een of andere halfdode meester, Caspar. Je hebt de bal tenslotte ook verhuurd aan die koopman.’
Caspar zei niets en keek naar zijn schoenen. De koning keek kwaad van links naar rechts maar wist blijkbaar ook niets te zeggen. De minister boog zich naar de koning. Ze fluisterden wat met elkaar en de minister knikte.
‘Heb je al ontbeten Caspar?’, vroeg de koning opeens weer vriendelijk.
‘Nee koning.’
‘Dan moet dat eerst maar eens gebeuren. Op een lege maag kun je niet goed denken.’ Daar had Caspar helemaal geen last van, maar hij zei niets. ‘In de eetzaal staat een tafel klaar. Ik zie je straks weer hier. Eet smakelijk.’
Opnieuw liep Caspar met de minister mee, maar deze keer gingen ze geen trappen af. De eetzaal bleek tegenover de troonzaal te liggen. ‘Ga maar vast zitten, er komt zo gezelschap’, zei de minister.
Veel tijd om na te denken over dat gezelschap had Caspar niet. Hij had het te druk met bekijken van de schalen en borden en manden op de lange tafel. En vooral met wat daarin en daarop lag. Allerlei soorten fruit, goudbruin glanzend vers brood, gebak en koekjes, cruesli, zeven soorten kaas, crackers met maanzaad, eieren, vruchtenyoghurt en nog veel meer. Een lakei zette een stoel voor hem klaar en vroeg beleefd: ‘Wat wilt u drinken?’ Het was allemaal doorgestoken kaart natuurlijk, wist Caspar. Dit hadden ze van tevoren klaargezet en vast niet met de beste bedoelingen. Maar toch was het leuk om eens met ‘u’ aangesproken te worden. ‘Heeft u vlierbessensap?’
‘Vlierbessensap?’, hoorde hij opeens een meisjesstem zeggen. ‘We drinken hier geen gemalen struiken hoor.’
Caspar draaide zich om. Bij de deur stond een meisje met een kroontje op het hoofd, groene ogen, lange donkerbruine krullen, een groene jurk met gouden stiksels en zilveren schoentjes met hoge hakken. Ze lachte om haar eigen grapje en liep nieuwsgierig op Caspar af. ‘Zo, jij bent dus de jongen van die bal. Laat hem eens zien.’
Voordat hij besefte wat hij deed, haalde Caspar de bal uit de zak. Wat een mooie krullen. Het meisje pakte de bal meteen uit zijn handen, klopte erop, stuiterde hem een paar keer en gaf hem weer terug. ‘Cool.’

De lakei kuchte. ‘De keuken serveert heden helaas geen vlierbessensap. Kan ik u misschien iets anders aanbieden?’
‘Geef hem maar paardenmelk met anijs en citroen’, zei het meisje. ‘Dat is echt lekker’, verzekerde ze Caspar. Die knikte naar de lakei en begon, om maar iets te doen te hebben, de bal weer in de zak te stoppen. Juist, dit was dus de prinses. Wat een krullen zeg, wat een mooi meisje. Wel brutaal. En een beetje belachelijk natuurlijk, met die kroon en die hoge hakken. Toch, wel mooi. Maar wees op je hoede, waarschuwde Caspar zichzelf. Dit was natuurlijk ook weer zo’n truc van de koning en zijn minister. Om te beginnen moest hij maar eens ophouden om steeds naar haar te kijken.
‘Jij heet Caspar hè? Weet je hoe ik heet?’
Caspar schudde zijn hoofd. Potdokke, waarom zei hij steeds maar niets? Hij moest nu toch ook eens wat zeggen, vond hij. Vooruit, zeg wat.
‘Nee’, zei Caspar.
De prinses lachte, waarom was niet duidelijk. Lachte ze hem soms uit? Hoe dan ook, het was hoog tijd om in zijn buik te ademen.
‘Ik ben prinses Lala’, zei het meisje langzaam, alsof ze een geheim verklapte.
‘Lala? O,’ zei Caspar, ‘dan ken ik een lied over u. Ze zingen het aan de andere kant van de heuvels.’
‘O ja?’ vroeg het meisje gretig. Ze streek met een vinger een krul achter haar oor. ‘Een lied over mij? Zing het dan eens.’
Het was meer een bevel dan een vraag, viel Caspar op. ‘Lalalalalalalala, lalalalalala’, zong hij op de wijs van het lied van de zon, terwijl hij wat yoghurt op een bord schepte.
De prinses keek hem met open mond aan. ‘Jij… Wat…’ Ze kwam niet verder dan een paar gestamelde woorden en liep woedend de zaal uit.
In de hoek van de eetzaal klonk een vreemd geluid. De lakei had zich blijkbaar verslikt en hield een servet tegen zijn gezicht gedrukt. Op de gang hoorden ze Lala roepen. ‘Pappa, pappa!’
Hm, misschien was het niet verstandig geweest om de prinses boos te maken, dacht Caspar. Maar daar was nu niets meer aan te doen.
Waar wel wat aan te doen was, dat was zijn rammelende maag. ‘Als je op reis bent, benut dan elke gelegenheid om te eten en te wassen.’ Die woorden van meester Volmaker waren hem al vaak van pas gekomen. Caspar sneed een homp kaas af, gooide wat cruesli in de yoghurt en begon te eten. Maar rustig genieten van het uitgebreide ontbijt zat er niet in, want na een paar minuten verscheen de minister weer. ‘Smaakt het?’
‘Ja, dank u.’
‘Heb je kennis gemaakt met prinses Lala?’
‘Ja.’
De minister leek te hopen dat Caspar nog meer zou zeggen. Die nam echter een grote hap kaas.
‘Iedereen vindt de prinses erg mooi’, probeerde de man weer.
Caspar at zijn mond leeg. ‘Dat vindt ze vast niet erg.’
Dat antwoord kwam de minister goed uit. ‘Nou, er komen vaak bewonderaars, dat is soms wel lastig. Die hopen allemaal met haar te kunnen trouwen. De prins van Tirkishtan komt daar natuurlijk ook voor.’
‘Aha.’
Na een tijdje stilte zei de minister: ‘Iedereen zou het een eer vinden om af en toe met de prinses te kunnen eten.’
Juist, begreep Caspar, dat was dus de bedoeling achter deze rijkgedekte tafel en de komst van Lala. Meteen maar laten weten dat hij daar niet in ging trappen. ‘Maar niet iedereen heeft een bijzondere bal in bewaring gekregen.’
De minister zuchtte en gaf het op. ‘Eet nog wat. En dan gaan we maar weer naar de troonzaal.’
Caspar zei niets en schepte zijn bord nog eens goed vol. Straks kon hij wel weer in de cel zitten, met alleen een emmer water.
Toen hij zijn buik rond had, stond Caspar op, pakte de knapzak en liep naar de troonzaal, met de minster achter hem aan. Tot zijn verbazing was de koning niet alleen. De prinses zat naast hem, op een kleinere troon. Haar boosheid leek gezakt. ‘Heeft het gesmaakt, Caspar?’, vroeg ze vriendelijk. Mooie krullen had ze toch.
‘Jazeker, dank u.’
‘Je mag wel je tegen me zeggen.’
‘Je’, zei Caspar.

De koning schraapte zijn keel. ‘Eh, Caspar, hoor eens. Het lijkt ons leuk als je hier af en toe komt. Nietwaar Lala, minister? Gezellig wat eten, wat praten.’
De prinses knikte en probeerde er enthousiast bij te kijken. De minister had een zin ingestudeerd. ‘Als iemand het land een dienst bewijst, dan wordt dat natuurlijk gewaardeerd.’
Caspar knikte maar zei niets.
De koning werd ongeduldig. ‘Wel, wat denk je ervan, Caspar?’
‘Ik wil best af en toe langskomen, koning. En dan wil ik ook best de bal meenemen.’
De prinses trappelde ongeduldig met haar voetjes. ‘Pappa, hij begrijpt het niet.’ Ze keek Caspar aan. ‘Het zit zo. Jij moet ons de bal geven. Want volgende week komt er een machtige prins en die wil misschien met mij trouwen. Daarom moeten wij de bal hebben, snap je? Dan mag jij af en toe komen eten. En je krijgt ook nog geld.’
‘En als de prins niet wil trouwen?’, vroeg Caspar.
‘Dan wil het land de bal net zo goed hebben natuurlijk’, zei de koning bars. ‘Hij begrijpt het heus wel, Lala. Hij is slim genoeg. Kom, genoeg gepraat. Minister, breng Caspar naar zijn kamer. Dan krijgt hij nog een kans om na te denken en de juiste keuze te maken.’
Caspar had niet anders verwacht. Daar gaan we weer, dacht hij, en pakte zijn knapzak op. Maar dat bleek niet de bedoeling. ‘Die blijft hier’, beval de koning scherp. Wat? Zijn zak hier laten? Potdokke. De bal. Zijn fluit. Wat kon hij doen? Lang hoefde hij daar niet over na te denken. Er stonden twee schildwachten bij de deur. Het had geen zin om weg te rennen of te vechten. ‘Dat zijn mijn spullen’, probeerde hij nog.
De koning stond op en streek zijn mantel glad. ‘Dat maak ik wel uit.’
Caspar liet de zak liggen en sjokte verslagen achter de minister aan. ‘Natuurlijk wil de prins wel met mij trouwen’, riep Lala hem nog achterna. Caspar keek om en zag dat ze zijn knapzak al in haar handen had. 

De andere 20 hoofdstukken zijn ook leuk, leerzaam en spannend. Het boek, met gratis CD, kun je hier bestellen