Foeballe

Men noemt het wel de belangrijkste bijzaak in het leven. Maar wij jongens, opgroeiend in de jaren ’60 in de buurt van het Zuiderpark, hadden geen idee dat er ook hoofdzaken bestonden. Laat staan dat we wisten welke dat zouden zijn. Behalve in leven blijven - een biologische reflex - en naar school gaan – een nutteloos doch onvermijdelijk ritueel – hielden wij ons met niets anders bezig dan met ‘foeballe.’ Natuurlijk kenden wij de juiste spelling van het woord wel, maar iets dat voortdurend geroepen wordt – uit ramen en deuren, over schoolpleinen, van blok naar blok en van fiets naar fiets – krijgt vanzelf zijn eigen vorm. (Probeer maar eens ‘voetballen’ tegen de wind in te schreeuwen)

Er waren drie plekken waar het voetballeven zich afspeelde: in de buurt, op de club aan de Oldegaarde en op het schoolplein. Wat dat laatste betreft: de activiteiten in het klaslokaal waren voor ons, dat moge duidelijk zijn, niets anders dan pauzes in de enige ware eduction permanente: de wedstrijden op het schoolplein. In die tijd, lang voordat overblijven tussen de middag de norm werd, betekende dat vijf keer foeballe. Ondanks dat niet altijd duidelijk was wie tegen wie speelde, de meisjes met hun springtouwen hinderlijk in de weg stonden en de meningen over de juiste stand regelmatig verdeeld waren, werden deze wedstrijden uiterst serieus genomen. Vaak ging de discussie over de uitslag nog door tijdens de les. Het valt ook niet mee om te bepalen of een schot op anderhalve meter hoogte nu ‘zat’ of niet, als de doelpaal bestaat uit een putdeksel of een stapel jassen. Herhalingen waren er niet.
Dit fanatisme wierp op onze school zeker zijn vruchten af. Met drie jongens in de gelederen die later betaald voetbal zouden spelen – Harry Melis, Bobby Pieksma en Gerrie Jumelet – bereikte onze Christofoorschool na drie voorronden de finale van het kampioenschap van Rotterdam 1968. Met 7-1 werd de tegenstander ‘uit de stad’ verpletterd en namen we glunderend zowel de beker als de bewonderende blikken van de meisjes in ontvangst.

‘In de buurt’ betekende veldjes waar hondenpoep vervloekt werd; blinde muren waarachter bewoners er al snel genoeg van kregen en ons vriendelijk verzochten weg te gaan omdat er iemand ziek lag – statistisch waren opmerkelijk veel mensen in hoekhuizen ziek - dan wel ons woedend maanden op te pleuren voordat ze de politie belden; en verlaten schoolpleinen waar je om onduidelijke redenen op vrije dagen niet mocht zijn maar toch was. De Ulo aan de Drakenstein bijvoorbeeld had een perfect voetbalplein. Doemde een fietsende wijkagent op – met illustere bijnamen als Vissie en Lucifer – dan pakten we de bal en renden het veilige doolhof van paadjes en schuurtjes tussen de huizen in. Niet dat iemand het ze ooit heeft zien doen, maar er werd beweerd dat de jutten je bal meenamen of zelfs lek staken als ze hem te pakken kregen.
Ideaal was geen enkel ‘veld.’ Zelfs de grazige weiden in het park niet. Het gras was te lang en zat vol molshopen. Maar we pasten ons overal aan, hanteerden de ‘drie corners pienantie’ regel als het terrein een hoek miste, veegden met bladeren de poep van ons lijf en haalden ongezien honderden ballen terug die per ongeluk in keurige tuinen terecht kwamen. Zo was het doordeweekse leven.

En dan kwam, na een week die wel een maand leek te duren, eindelijk het weekend. Het echte werk. Tenminste….. Tegenwoordig vind je op internet de weersverwachting voor de komende maanden, maar destijds moesten we nagelbijtend afwachten wat het zou worden. Op school en in de buurt vormde het weer nooit een beletsel om te foeballe, maar omdat de clubs in het Zuiderpark zuinig waren op hun velden, hing bij een paar dagen regen het woord ‘afgelast’ als een zwaard van Damocles boven onze hoofden. Als er op zaterdagochtend geen vlaggen hingen langs de Oldegaarde dan wisten we al hoe laat het was. Ontroostbaar sjokten we een troosteloos weekend in. We zochten afleiding in derderangs activiteiten als postzegels verzamelen of met lego spelen, maar uiteindelijk brachten we de meeste tijd door met mismoedig uit het raam staren.
Echter, wapperden de vlaggen wel dan juichte heel Zuid. Om 9 uur begon het concert des levens dat de hele dag zou duren: het doffe geluid van een goed geraakte bal, het strenge of timide fluitje van dito scheidsrechters, verontwaardigd geroep van ouders langs de lijn en, het mooiste geluid, het opgetogen gejuich van spelers. Overal bonden jongens hun sporttas op de bagagedrager en sprongen op de fiets. We kwamen elkaar tegen of achterop, ergens op het fietspad dat van Charlois tot Vreewijk langs het park liep, en nog steeds loopt. Jongens van je eigen elftal en club, jongens van andere clubs. Al lieten we elkaar duidelijk weten welke vereniging - de jouwe – of welk elftal – het jouwe - het beste was, de gedeelde opwinding over straks op het veld staan schiep een band. ‘Tegen wie moet jij ?’ was de standaardvraag, en het antwoord werd van deskundig commentaar voorzien. (Makkie, dat zijn rauzers, boerenkoolvoetbal, slome duikelaars, vorig jaar met 4-0 van gewonnen). Namen van clubs die ik me herinner zijn, van west naar oost, FSV Pretoria, DHL (niet te verwarren met DHZ van het door ons tot ‘varkensoord’ verbasterde Varkenoord), de Musschen, Coal, Spartaan ’20 (de beste club!) en Zwart Wit ’28 (bestaat niet meer).
In de loop der jaren werd bij alle clubs ijverig ge- en verbouwd, maar midden jaren ’60 waren de kleedkamers nog van een kwaliteit die jongeren van nu zich waarschijnlijk niet voor kunnen stellen. Kale koude keten van cement en hardboard, een vloer van stoeptegels, stinkende urinoirs, douches waar - als je geluk had - koud water uit druppelde. Het deerde ons niet, want we waren voetballers en dus stoer. In de rust was er thee en na afloop aten we een zakje chips (kwartje) of glacékoek (15 cent) in de kantine. Rondhangend bij de flipperkast werd de wedstrijd nog eens doorgenomen, en in de volle overtuiging dat het volgende week beter zou gaan, namen we afscheid. Morgen zouden we het eerste elftal komen aanmoedigen of, als dat uit speelde, naar Feyenoord – Heracles luisteren bij Langs de Lijn. Ja, met foeballe was geluk toen heel gewoon.

Peter van Kan

----------------------------

Het Zuiderpark

Ten behoeve van de bevolking van nieuwe wijken als Pendrecht en Zuidwijk, werd in 1952 dit park aangelegd. Niet voor het mooi, maar om te gebruiken. Onderdeel ervan zijn volkstuinen, de kanovijver en een hele rij voetbalvelden. In 1970 werd de nieuwe Ahoyhal in gebruik genomen aan de noordkant.
Voor inmiddels drie generaties was en is het Zuiderpark een begrip. Alles kan er: zwemmen, vissen, vliegeren, varen, schaatsen, fietsen, trimmen, vrijen, wandelen, eendjes voeren, popfestivals bezoeken. En foeballe natuurlijk.
-------------------------