Korte Verhalen, lange verhalen, geen verhalen en andere verhalen

Geschreven door Peter Van Kan, m.m.v. Bert Van Kan

In deze bundel, waarin ook een paar verhalen van zijn broer Bert opgenomen zijn, komt Peter's lichte kant naar voren. De melancholie van zijn muziek is afwezig in deze verrassende, absurde en ontroerende avonturen. Eppo, neef Fred, de lamme en de blinde, Kck, de Boom van Al: nog lang nadat je het boek uit hebt, zul je aan ze denken. En lachen.

Slot van de serie verhalen over Eppo uit het boek 'Korte verhalen, lange verhalen, geen verhalen en andere verhalen'.

Eppo en de dode vogels

De Thuisreis

“Mourir, c’est partir beaucoup” P. v. Kan

Het was weer als vanouds; verder vliegen over de oceaan. Verder en verder en verder. Eppo en de dode vogels genoten. Het was alsof ze altijd zo gevlogen hadden en alsof het ook altijd zo zou blijven. Het blauwe water, de warme zon, af en toe een wollig wolkje. “Vrede”, dacht Eppo, “dit is vrede.” Zeven jaren waren verstreken sinds die gedenkwaardige dag waarop hun reis begon. In die tijd was er iets gegroeid tussen hen. Iets ongrijpbaars. Ze begrepen elkaar zonder woorden, waardeerden elkaar. Ja ze hielden van elkaar. En in die onzichtbare cocon van liefde waren zij veilig en vrij.
Eppo sloot zijn ogen. Geen verlangens bezetten zijn geest, geen herinneringen: hij was.
Een moeder wiegt haar kind.
De adem wiegt zachtjes onze geest.
Golven wiegen de vogels op het water en de vissen er in.
En Eppo maakte die kosmische beweging veilig in de snavels van vogels.
Dode vogels weliswaar, maar toch.
Het werd avond. De ondergaande zon toverde de mooiste kleuren op het grauwe, reeds lang vergane verenkleed van Eppo’s vrienden. Even flakkerde verlangen in hem op: “Kon het maar altijd zo blijven”. Maar hij was wijs geworden deze laatste jaren. Alles verandert, wist hij. Niets blijft. Hij keek naar zijn vrienden en besefte eens te meer dat waarheid altijd en overal geldt, voor alles en iedereen. Ontkennen had geen zin: het einde naderde. Bobo en Hap reisden al een tijdje mee op zijn rug. Vliegen ging niet meer; er was te weinig van hen over. De anderen vlogen nog wel, maar meer op wilskracht dan op vleugels. Toch werd nooit een klacht gehoord. Eppo’s hart stroomde over van liefde voor zijn halfrotte vogeltroep.
“Vrienden”, sprak hij met zachte stem. “Alles wat een begin heeft, heeft een eind. Is het niet zo ?” “Piep,” beaamde Doos.
“Lange tijd zijn wij samen geweest. Wat een avonturen hebben we niet meegemaakt ? Lief en leed hebben we gedeeld. Als één van ons verdrietig was, waren we allemaal verdrietig. Als één van ons blij was, waren we allemaal blij. Zo leefden wij met zijn allen één leven. Een leven dat vreemd en moeilijk begon, maar steeds mooier werd. En dat nu, op deze schitterende avond, volmaaktheid bereikt.”
De dode vogels keken Eppo aan. Bak pinkte een traan uit zijn oogkas.
“In volmaaktheid heeft vorm geen betekenis meer.” Eppo slikte. “Ik geloof dat wij aan het eind van onze reis zijn.”
De zon was een vuurrode bal geworden, die langzaam naar de horizon zakte. Stil vlogen de dode vogels verder. Fiet keek Eppo aan. “Ik kan nog wel,” zeiden haar oogkassen. “Als het moet draag ik je……. zou ik je …….” Eppo streelde even haar schedeltje. “Het is goed zo, Fiet. Li gaia boe adon.” Onder hen verscheen een piepklein eiland. Als vanzelfsprekend begonnen de dode vogels te dalen. Zachtjes landen ze midden op het eilandje, dat niet meer was dan een ronde zandplaat.
Er was geluid en toch was het stil.
Het ruisen van de zee was een deel van de stilte.
De ondergaande zon was een deel van de stilte.
Eppo zat in het warme zand, de dode vogels om hem heen. Ook zij waren een deel van de stilte.
Eppo begon te graven. “Laten we nog een keer zingen samen,” zei hij.
Fiet zette in: “Amazing Grace.” Ieder deed zijn uiterste best om uit het wrakke lijf nog zuivere klanken te halen.
Het lied was een deel van de stilte en het mooiste wat op aarde ooit gehoord werd.
Toen de laatste noot wegstierf, was de kuil klaar. Eén voor één pakte Eppo zijn vrienden in zijn handen en legde hen voorzichtig neer, dicht tegen elkaar aan. “Dag Doos,” fluisterde hij. “Dag Bonk, met je ene poot. Dag Sas, dag slimme Kiwi, dag Bobo, dag Bulk, dag Hap, dag Slurp, dag gekke Lupo, dag Turf, dag Bak.” Als laatste pakte hij Fiet. “Dag lieve Fietje. Weet je nog hoe je vroeger altijd op mijn schouder lag ?”
“Lieve vrienden, leven en dood zijn één. Niemand weet dat beter dan jullie en dankzij jullie zal eens de hele wereld dat beseffen. Niemand leeft voor niets en niemand sterft voor niets. Jullie zijn voor altijd een deel van mij. Vaarwel.”
Nog een laatste blik wierp Eppo op de botjes in de kuil en zij op hem. De zon ging onder. Traag gooide Eppo de kuil weer dicht.

 Copyright 2005 Peter Van Kan
Voor reacties: info@petervankan.com