Een slechte dood

Over de kleren van de keizer
in de discussie rond euthanasie bij psychisch lijden

door Peter van Kan

1 Het doel en het waarom van dit stuk

Doel van dit document (bij gebrek aan een ander woord) is het ter discussie stellen van de validiteit van argumenten in de discussie over euthanasie. Om precies te zijn, in de discussie over wettelijke toelaatbaarheid van levensbeëindiging van psychisch lijdende patiënten door een arts.
De ondertitel “Over de kleren van de keizer” geeft al aan dat naar mijn mening een aantal argumenten en overwegingen van voorstanders van een ruime interpretatie van criteria m.b.t. euthanasie, bij een kritische beschouwing niet overeind blijven.
Toch gaat het hieronder niet om de mening van deze of gene, dus ook niet die van ondergetekende. De vraag die ik de lezer stel is niet “Vind u ook wat ik vind ?”, maar “Klopt mijn redenering ?” (En “zo nee, waarom niet ?” Want zo vasthoudend ben ik ook wel weer).
De vraag “Maar hoe moet het dan ?” wordt niet door mij beantwoord. De bedoeling van deze tekst is om de lezer te prikkelen, uit te dagen tot doordenken, tot het voor zichzelf onder woorden brengen van gevoelens en intuïtieve inzichten en ze te onderwerpen aan een kritische beschouwing. En dan eigen conclusies te trekken. Dat dit resulteert in een stuk dat vooral analytisch/filosofisch is en (wellicht) op diverse momenten weerstand oproept, is dan jammer maar helaas.

Waarom nam ik de moeite om tientallen uren achter het toetsenbord te gaan zitten denken ?

Die vraag is, hoewel voor de hand liggend, in feite niet relevant. Immers, iets wat in De Telegraaf staat, kan toch nog wel waar zijn. Oftewel, zelfs als mijn motieven niet deugen kan mijn analyse nog wel juist zijn.
Om niet onnodig onpersoonlijk te blijven, hieronder een paar opmerkingen over mijn achtergrond, motieven en zorgen.

Ik ben geboren in 1956. Zoals vele generatiegenoten die als kind elke zondag naar de kerk moesten, heb ik met genoegen langs de zijlijn staan bekijken hoe de kerk in de jaren ‘70 en ‘80 haar greep op de samenleving verloor. Leve de vrijheid en de echtheid. Het einde van de macht van het CDA in 1994 was de politieke echo van die ontwikkeling. Ook prima, vond ik.
Echter. De afgelopen jaren heb ik met toenemende verbazing en bezorgdheid de maatschappelijke en politieke discussie over euthanasie en andere ethische kwesties gevolgd.
Want dit was nou ook weer niet de bedoeling. Ik zie dat op basis van overwegingen van goedbedoelende maar niet noodzakelijkerwijs deskundige mensen, heel zeker en niet eens zo langzaam, grenzen vervagen of worden verlegd. Grenzen die lange tijd als onaantastbaar golden. Eén zo’n grens is die tussen euthanasie als manier om lichamelijk lijden te bekorten wanneer de dood dichtbij en onafwendbaar is, en hulp bij zelfmoord van iemand die niet langer emotioneel/psychisch wil lijden. (Ik beperk mij in dit document tot het bespreken van dit onderwerp. Sommige opmerkingen zullen ook in verband met andere ethische kwesties relevant zijn. Ik laat het aan de lezer over om die verbindingen te leggen).

Waarom is dat erg, het vervagen van zo’n grens ? Omdat het CDA, de bijbel, de koran, de kerk, God, de EO, enz., zeggen dat het niet mag ? Nee, dat is erg om een andere reden, die in dit stuk aan de orde komt.

Waarom ik dit stuk schrijf, was de vraag.
Welnu, iemand moet het toch doen ? Natuurlijk zijn er velen die zich uitspreken over ethische kwesties. Maar een van de problemen van de discussies rond die kwesties is dat er weinig mensen zijn die iets naar voren kunnen brengen uit “onverdachte hoek”. D.w.z. zonder dat meteen gekeken wordt naar de hoek waaruit de mening komt of de groepering waar de betreffende spreker toe behoort (volgens zichzelf of volgens anderen, dat maakt niet uit in de praktijk van medialand).

Is men liberaal, sociaal liberaal, of sociaal democraat, dan wordt ervan uitgegaan dat de verkondigde visie niet bepaald of beïnvloed wordt door religieuze overwegingen en dat het recht op individuele, autonome keuzes uitgangspunt is. Hoeveel nadruk men ook legt op “zorgvuldige afweging” enz., de luisteraar/lezer concludeert al bij voorbaat “jaja, het mag dus wel”. Eventuele diepgang gaat in die generaliserende verwachting verloren.

Links van de PvdA zit men klem tussen enerzijds de achterban, die vanouds weinig opheeft met morele codes van anderen en zich de strijd om baas in eigen buik te mogen zijn nog goed herinnert, en anderzijds een instinctieve weerzin tegen het heersende materialisme van de tevreden middenklasse. Een spagaat die voorkomt dat er een krachtig geluid klinkt uit deze hoek.

En aan de andere kant van het politieke midden: wie verbonden is of geacht wordt te zijn met iets kerkelijks of religieus, wordt gezien als iemand met gewetensbezwaren waar hij/zij nu eenmaal mee opgezadeld zit en waar je vooral veel respect voor moet hebben. O wat is er een respect. Jammer dat dat woord in de praktijk weinig meer wil zeggen dan dat de gerespecteerde niet als bedreigend wordt ervaren. Het respect komt in de plaats van empathie en verplicht tot niets.
Enige nuancering is op zijn plaats wanneer we het CDA bij de groep “verdacht als zijnde religieus voorgeprogrammeerd” indelen. Want het CDA wil graag met z’n tijd meegaan. En belandt daardoor in halfslachtige formuleringen die nergens meer in geworteld zijn. In de discussie over rest-embryo’s wordt gemompeld over “iets wat kan uitgroeien tot een mens”. Arm CDA. Het spoor bijster. Verloren tussen de droom van evangelisch geïnspireerde politiek en de realiteit van heimwee naar de macht. Macht die in het maatschappelijke midden ligt, precies daar waar weinig interesse meer bestaat voor bevlogenheid, evangelisch of anderszins.
(Ik geef het maar toe. Ik voel, erg langzaam gelukkig, enige sympathie opkomen voor de machteloze erfgenamen van de machtige premiers Van Agt en Lubbers. Het valt tenslotte niet mee om in ethische kwesties krachtig voor de dag te komen wanneer de basis voor die kracht, een wereldbeeld waarin de werkelijkheid niet bestaat uit materie, door een groot deel van de bevolking en de facto door een deel van de partij niet (meer) wordt gedeeld.)

Kortom. Waar klinkt een krachtige stem uit onverdachte hoek, die op intelligente wijze erop wijst dat de keizer in de euthanasiediscussie geen kleren aan heeft ? D.w.z., wie toont nu eens aan dat er wel allerlei visies en meningen door de ether vliegen, maar dat aan die visies en meningen lang niet altijd kennis van zaken, diepgaand denkwerk of een theoretisch en empirisch onderbouwd mensbeeld ten grondslag liggen ?
U begrijpt het. Omdat ik die stem niet hoor (dat kan aan mij liggen), doe ik zelf maar een poging. Zozeer gaat het mij aan het hart om mijn vaderland, en ik bedoel dat niet sentimenteel, te zien afglijden naar een vlak soort materialistische sociaal-democratie. Een samenleving waarin men met veel goede bedoelingen maar weinig morele moed wegen bewandelt die, op termijn en indirect, maar daarom niet minder zeker, leiden naar veel verwarring en leed.

 

1.1 Misverstanden

Voordat ik met die poging begin, wil ik twee misverstanden voor zijn.

Allereerst: Ik vind mezelf geen beter mens dan wie dan ook. Ja, ik weet dat ik vrij intelligent ben, gemeten naar de maatstaven die daar doorgaans voor gelden. Ja, ik geloof dat ik over meer theoretische kennis van zaken beschik dan de gemiddelde deelnemer aan het euthanasiedebat. Maar ik voel mij daardoor niet boven een ander verheven. Vind ook niet dat men mij gelijk moet geven omdat ik intelligent lijk of ben, of omdat ik meer zou zien of weten dan een ander. Ook niet omdat men het met mijn conclusies eens is. Het gaat om de kwaliteit van het proces dat aan de conclusies vooraf gaat. Om met Jan Vrijman te spreken, om “de moraliteit van de keuze”.

Wat waar en juist is, hangt niet van meningen af. Tegelijk heeft ieder mens het recht op eigen afwegingen en standpunten. Dat daarvan vaak onverstandige beslissingen op basis van illusies het gevolg zijn, hoort men als democraat voor lief te nemen. Dat doe ik dan ook, letterlijk zelfs. Ik voel respect, waardering, soms bewondering voor mensen die vanuit goede intenties een mening durven te hebben in ethische kwesties; voor politici die bereid zijn verantwoordelijkheid te nemen voor omstreden beleid; voor artsen die zich niet verschuilen achter regels en wetten wanneer door wanhopige mensen een beroep op hen wordt gedaan. Dat ik hen allen i.v.m. euthanasie een aantal indringende vragen te stellen heb en vanwege het belang van de zaak geen genoegen kan nemen met vaagheden en goede bedoelingen, doet bij mij aan die gevoelens niets af.

Het tweede mogelijk misverstand is dat ik het eens ben met degenen die aanleiding zien om zich kwaad te maken over, of verheven te voelen boven andersdenkenden. De manier waarop sommigen, zich beroepend op God’s woord, zich uitlaten over wat ik maar even “heidenen” zal noemen, vind ik getuigen van weinig besef van verhoudingen, om het woord liefde maar helemaal buiten beeld te laten. Datzelfde geldt voor de geamuseerde neerbuigendheid van sommige intellectuelen wanneer hun de bijbel voorgehouden wordt als leidraad voor het handelen. Of wanneer iemand het waagt om met spiritualiteit aan te komen wanneer er juist zo aangenaam logisch en op niveau gediscussieerd wordt.

Dit gezegd hebbende, wens ik u veel inspiratie toe (in wat voor vorm dan ook) bij het lezen van de volgende bladzijden.

 

2 Vooraf: Wat is wijsheid?

Wij zijn mensen, geen goden. Het is moeilijk om in ethische kwesties te zien wat de juiste weg is. De maatschappij evolueert; ons denken evolueert. Antwoorden die ooit bevredigden, doen dat nu misschien niet meer. Mensen die vroeger gezag hadden uit hoofde van hun functie of rol, hebben dat nu misschien niet meer. Maar er moeten wetten zijn, er moeten keuzes gemaakt worden. Kwesties, dilemma’s ontstaan, en vragen om een antwoord, om een richting. Tot wie kunnen we ons wenden voor die antwoorden ? Als het gaat om wetgeving is het uiteindelijk aan politici om knopen door te hakken. Maar zijn zij op het gebied van ethiek wel deskundiger dan u en ik en de bakker op de hoek ? Moeten we ons toch maar weer wenden tot de priesters en imams ? Of tot ethici ? Wat is wijsheid ? Wie zegt ons wat juist handelen is ?

Het is mijn stellige overtuiging dat het antwoord op de vraag wat juist handelen is in ethische kwesties, gelegen is in de werkelijkheid. Gewoon, de werkelijkheid; de levende waarheid.
Wie daar niet naar kan verwijzen en zich daarom beroept op een boek, ook al is het nog zo heilig, kan niet overtuigen. Evenmin als degenen die, voorbijgaand aan de beperktheid van persoonlijke ervaring en menselijk verstand, zonder meer eigen mening, emoties en gevoel tot uitgangspunt en/of argument verheffen.

Wanneer u het met het bovenstaande eens bent, dan concludeert u m.b.t. euthanasie met mij:

Wijsheid komt van degene wiens visie voortkomt uit inzicht in de werkelijkheid van leven, lijden en sterven.

Waarmee we bij de eerste vraag zijn beland:

Heeft u dat inzicht ?

Zo nee, is het dan niet beter om zich zeer terughoudend op te stellen in deze discussie ?
We hebben het hier tenslotte niet over een procentje meer of minder vakantiegeld.

3 DEEL 1 DE CRITERIA

De belangrijkste criteria aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een situatie aangemerkt kan worden als aanleiding gevend tot euthanasie, zijn ondraaglijkheid en uitzichtloosheid van het lijden.

Deze twee woorden werden vroeger geacht te slaan op lichamelijk lijden. Maar sinds de zaak Chabot in 1992, en bevestigd door de actuele zaak Brongersma/Sutorius, is duidelijk dat de rechter de term “lijden” niet beperkt wil zien tot lichamelijk lijden. Ook geestelijk lijden kan dan uitzichtloos en ondraaglijk zijn, en als zodanig een grond voor wettelijk toegestane euthanasie.

Laten wij eens nader ingaan op deze twee criteria.

Ik citeer advocaat Sutorius*, in het onvolprezen radioprogramma “Met het oog op morgen” van maandag 30 october 2000. Het interview was naar aanleiding van de zaak Brongersma, een man van 86 die lichamelijk niet maar geestelijk wel aan het eind van zijn latijn was. Hij deed met succes een beroep op zijn huisarts om hem te helpen bij het beëindigen van zijn leven.
Dhr. Sutorius verwoordt de mening van voorstanders van een ruime euthanasiepraktijk. Hij stelt: “ “Ondraaglijk” is een subjectief begrip.
“Uitzichtloos” is objectief. Het wil zeggen dat de arts met lege handen staat; niets meer heeft om dat lijden weg te nemen of te verminderen.” Hij voegde eraan toe:
“Lijden is altijd psychisch. Er kan een lichamelijke aanleiding voor lijden zijn, maar het lijden zelf gebeurt in de psyche.”

* Advocaat Sutorius is de neef van de arts die Dhr. Brongersma hielp een eind aan zijn leven te maken, en was voordien al een bekend pleitbezorger voor een ruimere euthanasiepraktijk.

3.1 Wie toetst ?

Allereerst. Chapeau voor dhr. Sutorius. De opmerking dat alle lijden in het bewustzijn plaatsvindt, getuigt van een open, intelligente geest. Desondanks maakt hij een vreemde opmerking. Want wat zegt dhr. Sutorius hier impliciet ?

1 Het is de taak van de arts om lijden weg te nemen.
2 Als die dat niet meer kan, is daarmee het lijden uitzichtloos geworden.

Met andere woorden, een patient is (afgezien van zelfmoord) per definitie niet in staat om zelf een eind aan het psychische lijden te maken.

Vraag nummer 2:

Bent u het hiermee eens ?
We gaan erop in.
Is het de taak van de arts om psychisch lijden weg te nemen ? Of is dat de taak van de patient zelf, die daarbij de deskundigheid van de arts kan gebruiken ?

Kijken we eerst eens wat de wet daarover zegt.
Wat blijkt ? Die is er tegenwoordig heel duidelijk over en stelt: De patient is opdrachtgever van de arts. De arts dient voor het medisch handelen toestemming te hebben van de patient. De arts heeft een inspanningsverplichting, moet z’n best doen om de patient beter te maken. Maar er is geen resultaatverplichting; de patient kan niet eisen beter gemaakt te worden.
Gezien de rol van dienstverlener die de arts heeft, hoe kan deze ooit een bindend antwoord geven op de vraag of het lijden uitzichtloos is ? Die conclusie is aan de patient. Wat denkt u als een pianostemmer zegt dat niemand ooit nog met plezier op die oude vleugel zal kunnen spelen ? Waarschijnlijk “dat zullen we dan nog wel eens zien”. Laat die man maar vertellen wat hij van de toestand van de vleugel vindt, dan trek ik mijn eigen conclusies wel. (De pianostemmer in dit voorbeeld is toevallig een man).

Los van het bovenstaande zit er een duidelijke tegenspraak in het tegelijkertijd beweren dat alle lijden psychisch (en dus subjectief) is, en dat men over lijden een objectieve uitspraak kan doen.

Laten we de zaak dan wat zuiverder gaan formuleren. Natuurlijk kan een arts niet voor een ander bepalen of het psychisch lijden uitzichtloos is. Wel kan een arts
- vaststellen dat de patient het lijden als uitzichtloos ervaart;
- inschatten dat het de patient aan fut en/of motivatie ontbreekt om zelf nog iets aan dat lijden te doen; en
- erkennen dat hij/zij (de arts) zelf geen heil meer verwacht van hem/haar bekende medicijnen of therapieën.

Bent u het hier nog mee eens ?

Dan gaan we verder.

3.2 Objectief ?

We hebben de situatie dat een patient naar eigen beleving psychisch ondraaglijk lijdt en het lijden als uitzichtloos ervaart omdat de moed, de energie en/of het geloof ontbreken om zelf actief iets aan dat lijden te doen, al dan niet met hulp van medische dienstverleners. De arts ziet dit, erkent de beleving van de patient en de ontoereikendheid van eigen kennis en middelen.

We zijn hier op een cruciaal punt aangeland. Want de werkelijkheid van de patient is door de waarneming van de arts op geen enkele manier veranderd. Voor de buitenwereld lijkt het echter alsof de erkenning door de arts van de beleving van de patient een element van objectiviteit, zelfs van wetenschappelijkheid introduceert. Naar analogie van Dallas 1963 “it’s official now; the president is dead” zeggen we dan: “Ja, het staat nu vast, dit lijden is uitzichtloos. De dokter heeft het zelf gezegd”. Maar een dode president met een half hoofd is wel wat anders dan een lichamelijk gezond depressief mens.

Wie nu protesteert en de deskundigheid van de arts ondergewaardeerd acht - deskundigheid op het gebied van behandelingen, medicijnen en ziektebeelden - mag de volgende vraag beantwoorden:
Welke arts zou willen beweren m.b.t. een psychisch lijdende medemens: “Er is niets denkbaar, geen mens, geen manier, geen plotseling opdoemend nieuw element in het leven van de patient, geen hoeveelheid liefde die over hem uitgestort wordt, geen beroep dat op hem gedaan wordt, geen wonder, geen jackpot in de lotto, niets helemaal niets dat enige verandering in de ervaring van de patient zou kunnen veroorzaken”?
Met andere woorden, wie zou hardop durven beweren “deze mens kan nooit meer ophouden met lijden want ik zie niet hoe dat zou kunnen ?” Inderdaad, niemand.

Een arts heeft gestudeerd met als doel mensen op deskundige wijze te kunnen helpen om beter te worden. Wanneer in een situatie de conclusie is “dat kan ik niet”, is daarmee in feite het verhaal klaar. Niemand is tot het onmogelijke gehouden, en er wachten nog andere patienten.
Er rest dan wel een probleem natuurlijk, namelijk een patient die dood wil. Het is alsof de samenleving op dat moment tegen de arts zegt “Maar u bent toch ook een medemens ? En u bent er nu toch. Kunt u niet zorgen dat dit probleem opgelost wordt ? U heeft al een vertrouwensrelatie met deze vrouw. Wij hebben vertrouwen in uw oordeel. Doe wat u goeddunkt, maar doe het zorgvuldig.”

Vraag 3:
Ziet u hoe in onze geseculariseerde samenleving de arts de rol opgedrongen krijgt die priesters/sjamanen vroeger hadden, n.l. die van autoriteit op het gebied van leven en dood?
Voor artsen heeft die medaille twee kanten: Enerzijds een haast onaantastbare status, met praatprogramma’s, rechtbanken en adviescommissies als podia om op te schitteren. Anderzijds de verantwoordelijkheid voor beslissingen die qua reikwijdte ver uitstijgen boven het competentieniveau van iemand die de studie medicijnen met succes heeft afgerond. Een verantwoordelijkheid waar ook niet om gevraagd is.
Er zijn overigens heel wat artsen die moeite hebben met die sterrenstatus. Maar die zien we niet zo vaak in de media.

 

3.3 Second opinion

Wellicht zou u, als dit een gesprek was, nu tegenwerpen dat de arts verplicht is om een collega te consulteren. Wanneer die dezelfde mening is toegedaan, dan is daarmee het risico van onvoldoende deskundigheid, of teveel lichtzinnigheid, van de arts ondervangen, niet ? Twee weten meer dan een, tenslotte.

Stelt u zich voor. U bent arts, laten we zeggen psychiater, en behandelt een patient die naar eigen zeggen ondraaglijk lijdt. U heeft van alles geprobeerd, medicijnen, therapie, gesprekken. Niets helpt. De patient wil dood en wil dat u daarbij assisteert. U hebt het gevoel dat het een uitzichtloos geval is en bent uit medemenselijkheid geneigd dit verzoek in te willigen.
Uit oogpunt van zorgvuldigheid consulteert u een collega. Zij onderzoekt de patient en bekijkt het dossier. Wat blijkt ? Zij ziet de situatie niet als uitzichtloos. Surprise ! Wat ligt er nu meer voor de hand dan dat u haar schrijft “Beste collega, daar u er nog wel een gat in ziet en ik niet meer, lijkt het me het beste dat u de behandeling overneemt”. Aangezien weigeren vrijwel gelijk zou staan aan een doodvonnis voor een patient die volgens haar te redden is, heeft uw collega weinig keus. Zij neemt de behandeling over.
Wat blijkt ? Ook zij heeft geen succes. De patient blijft ondraaglijk lijden en dood willen. Wat een afgang ! Eerst beweren dat iemand nog wel te genezen is - en u in feite daarmee een brevet van onvermogen toekennen - en het vervolgens niet waarmaken. De patient heeft onnodig lang ondraaglijk geleden, en formeel moet de collega nu opnieuw een collega raadplegen voor een second opinion. Wat een toestand.
Ziet u het voor u ?
Ik ook niet. Want zo werkt dat niet.

Vraag 4:
Ligt het niet voor de hand dat de praktijk van de second opinion zal zijn dat de geconsulteerde arts het altijd met de behandelend arts eens blijkt ?
En zo zien we dat de zorgvuldigheidseis wel heel zorgvuldig klinkt, maar dat hij in feite inhoudelijk niets toevoegt aan onderbouwing van toelaatbaarheid (onder de noemer euthanasie) van hulp bij zelfmoord aan lichamelijk niet ernstig zieke mensen.

 

3.4 Weten twee meer dan een ?

Nog afgezien van de onwaarschijnlijkheid dat een geconsulteerde collega de verantwoordelijkheid op zich neemt om het oneens te zijn met de behandelende arts, kan men de vraag stellen:
Is het wel zo dat twee altijd meer weten dan een ?

Mag ik erop wijzen dat hele volksstammen het er eeuwenlang over eens waren dat de aarde plat is ? Honderd miljoen mensen weten helemaal niet noodzakelijkerwijs meer dan een. De katholieke kerk heeft dat een paar jaar terug zelfs toegegeven. Wanneer twee mensen over ongeveer dezelfde kennis beschikken, over dezelfde manier van tegen problemen aankijken, over hetzelfde gebrek aan mogelijkheden, weten ze met z’n tweeën dan meer dan in hun eentje ? Niet echt.

En wanneer men zou beweren dat artsen niet over ongeveer dezelfde kennis beschikken, dan suggereert men daarmee dat artsen hun kennis niet up to date houden. Natuurlijk is de ene arts beter dan de andere. Maar dat verschil hoort hem te zitten in de effectiviteit van de behandeling, veroorzaakt door de persoonlijkheid en de ervaring van de arts. Het hoort hem niet te zitten in hun kennis van mogelijke behandelingen.
Vertaald naar fysiek lijden wordt dat duidelijker. Ziet u de situatie voor zich dat het ene ziekenhuis een been eraf zaagt bij bepaalde, algemeen voorkomende aderproblemen, en het andere ziekenhuis zo’n been weet te redden omdat men daar met andere maatstaven en behandelingen werkt ? Ik ook niet. Althans niet in Nederland. Gelukkig.

 

3.5 U en ik

Bovenstaande observaties en redeneringen hebben niet tot doel de integriteit of deskundigheid van artsen in twijfel te trekken. Natuurlijk zijn er ondeskundige artsen, contactgestoorde artsen, onverschillige artsen. Het zijn mensen tenslotte. Maar laten we er in deze discussie van uitgaan dat een arts die geconfronteerd wordt met een vraag om euthanasie, als behandelaar of geconsulteerde collega, zich daar op adequate en integere wijze over buigt.

Het gaat er hier slechts om te laten zien dat de combinatie van woorden als “ondraaglijk, arts, uitzichtloos, zorgvuldigheid, second opinion, uiterste middel” de suggestie wekken dat er in dit verband sprake is van deskundigheid, objectiviteit, wetenschappelijkheid en onvermijdelijkheid. En dat is niet zo. Althans, daar is geen enkel aannemelijk argument voor.
Het draait immers om de vraag “is het goed dat mensen die lichamelijk niet ernstig ziek zijn maar hun psychisch lijden als ondraaglijk en uitzichtloos ervaren, door artsen geholpen worden bij het beëindigen van hun leven zonder dat die handeling in principe strafbaar is ?”
Het antwoord op die vraag heeft niets te maken met second opinions, zorgvuldigheid of objectiviteit. Het heeft zuiver en alleen te maken met inzicht in het leven en de rol van lijden daarin.

Laten we vaststellen dat artsen geen deskundigen zijn op het gebied van (de betekenis van) lijden. Ze hebben uiteraard vaak te maken met mensen die lijden. Maar dat hebben uitvaartverzorgers, afleggers, verpeegkundigen, ambulancepersoneel, rijkspolitiemensen, geestelijk verzorgers, mensen die vaak ziek zijn, ernstig gehandicapten, ouderen met een grote familie- en vriendenkring, enz. enz. enz. ook.

Wanneer we het idee loslaten dat artsen deskundigen zijn die ons kunnen zeggen wanneer psychisch lijden zinloos, ondraaglijk en uitzichtloos is, dan staan we alleen met de eerder geformuleerde vraag. Het is aan ons, u en ik, landgenoten, om de vraag te beantwoorden of wij willen dat het plegen van zelfmoord om een eind te maken aan psychisch lijden en het recht om daarbij hulp van een arts te krijgen, iets is dat bij wet gereguleerd moet worden en de naam euthanasie moet hebben.

 

3.6 Deskundigen

Kunnen we bij het worstelen met die vraag dan van geen enkele deskundige hulp ontvangen ?

Velen zullen die vraag met “jawel” beantwoorden. Jazeker, de dominee, rabbijn, imam of priester is een deskundige op dit gebied, want die begrijpt de bijbel/koran en kan ons duidelijk maken wat God’s wil in deze is.
Daar kunnen we echter niets mee. Op de eerste plaats ontbreekt het deze deskundigen aan algemene erkenning. Op de tweede plaats ontbreekt “de levende werkelijkheid” hier. Het is al lastig om God op Haar woord te geloven, laat staan de spreekbuis van een religieuze stroming. En ten derde zijn deze deskundigen onderling zodanig verdeeld dat we er niet veel mee opschieten om de vraag bij hen neer te leggen.

Ethici dan ? Mensen die medische ethiek gestudeerd hebben ?
Die vraag verraadt een verkeerd begrip van dat beroep. Ethici zijn mensen die toetsen of bepaald gedrag in lijn is met de gangbare morele waarden. Wie van hen claimt algemeen geldende uitspraken te kunnen doen over wat juist is en wat niet, zal snel door collega’s tot de orde geroepen worden.
Een ethicus die hogere morele normen hanteert dan de gemiddelde burger, prijst zichzelf letterlijk en figuurlijk uit de markt. Mensen (laat staan Nederlandse mensen) houden er niet van om de maat genomen te worden.

Zijn er dan geen deskundigen ?
Jawel.
Waarom zien en horen we die dan zo weinig bij de discussies in de media ?

Tja. Misschien zien ze er te weinig uit als deskundigen. Misschien is het probleem dat ze geen beroepsgroep vormen en niet namens deze of gene groepering kunnen spreken. Misschien bevalt wat ze zeggen ons niet. Misschien ligt het zo voor de hand dat we het over het hoofd zien.
Ja, er zijn wel degelijk mensen die wij deskundigheid op het gebied van lijden en de rol daarvan in het leven kunnen toedichten. Namelijk mensen die van nature wijs zijn en mensen die het geworden zijn. Vak doordat ze geleden hebben, dat lijden getransformeerd hebben en daardoor veranderd zijn.

Vraag 5:

Mee eens ?
We zouden het haast vergeten bij alle terechte aandacht voor de ondraaglijk lijdenden, maar er zijn heel veel mensen die naar hun gevoel ondraaglijk geleden hèbben. Die hun ondraaglijk lijden zelfs als uitzichtloos hebben ervaren. Die soms een of meerdere zelfmoordpogingen hebben gedaan.
En mensen die van nature wijs zijn, die bestaan. Het is lastig, want hun wijsheid is niet meetbaar, is niet het resultaat van een studie en is niet te koop. Maar waarom zouden we ontkennen wat empirisch bewezen is, n.l. dat wijze mensen bestaan ?
We komen hier later op terug.

 

4 De criteria in de praktijk

We keren terug naar de criteria, naar de woorden “ondraaglijk en uitzichtloos”.

Wanneer we deze woorden tellen, komen we tot twee. Een flink aantal. Nederlanders, denk niet dat wij lijdende mensen op basis van één enkel criteriumpje helpen om dramatische en onherroepelijke beslissingen uit te voeren. Nee, met slechts een van de twee nemen we geen genoegen. Iemand die ondraaglijk lijdt maar waarvan we niet kunnen zeggen dat het uitzichtloos is, die kan niet op hulp rekenen. En wiens lijden uitzichtloos is maar niet ondraaglijk, die ook niet.

Voelt u al nattigheid ? Er klopt iets niet. Maar wat ?
Misschien is het dit: Heeft u wel eens iemand ontmoet die u meedeelde dat haar lijden uitzichtloos is, om er schouderophalend aan toe te voegen “maar goed, het is niet ondraaglijk, dus ach, nou ja” ? Of iemand die zei ondraaglijk te lijden, maar het zou nog maar drie weken duren, dus “ach, nou ja, drie weken ondraaglijk lijden, dat is wel te dragen, niet ?”
Is het niet zo dat lijden als ondraaglijk wordt ervaren juist doordat er geen licht aan het eind van de tunnel zichtbaar is ? En wordt lijden niet als uitzichtloos ervaren juist doordat de diepe pijn van het moment het bewustzijn vernauwd ? Wanneer de pijn zo hevig is dat er geen ruimte omheen lijkt te zijn, is er ook geen alternatief voorstelbaar, noch nu noch in de toekomst.

Met andere woorden. Het lijkt alsof er twee los van elkaar staande criteria gehanteerd worden. In feite zijn die twee zozeer met elkaar verweven dat het zuiverder zou zijn om het woord “en” weg te laten en te spreken van één criterium: “uitzichtloos ondraaglijk lijden”. Waarbij men dan ook nog de vraag kan stellen of die uitzichtloosheid niet per definitie aanwezig is op het moment dat de patient de hoop opgeeft. Want zonder hoop geen energie om te werken aan verandering. De arts kan de patient tenslotte niet dwingen op te houden met lijden. “Lijden zonder hoop” is dan ook een betere omschrijving van wat er feitelijk aan de hand is dan “uitzichtloos en ondraaglijk lijden”.

Bovenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat wat in de theorie een kwestie is van meedere criteria, van zorgvuldige, gedubbelcheckte afwegingen van deskundigen, in de praktijk veel simpeler en minder geruststellend zal zijn. En wel zo:
Wanneer een patient naar eigen ervaring “hopeloos lijdt” en dood wil, dan zal dat leiden tot hulp bij zelfmoord door de (of een) behandelend arts. Omdat nu eenmaal, zoals ook door voorstanders van een ruime euthanasiepraktijk wordt erkend, een arts moeilijk tegen een patient kan zeggen (misschien wel een of twee keer maar het houdt een keer op) “uw lijden is niet ondraaglijk, al denkt u van wel”. En om het lijden niet uitzichtloos te laten zijn, is de wil van de patient onontbeerlijk. Die wil ontbreekt wanneer er een gevoel van hopeloosheid overheerst.

Als deze voorstelling van zaken u te zwartgallig voorkomt en te weinig rechtdoend aan de beoogde zorgvuldigheid, laten we hem dan toetsen aan de praktijk van abortus en van euthanasie bij lichamelijk lijden.
Die praktijk is dat wie binnen 24 weken een abortus wil, hem krijgt. Wat geestelijke of sociale nood is, bepalen de ouders c.q. de moeder namelijk uiteindelijk zelf. Wanneer sprake is van een ernstig gehandicapt kind, dan kan straks ook na de 24ste week legaal abortus plaatsvinden. Dat gebeurt dan op grond van de ernst van de handicap en het te verwachten lijden van het kind. Of, dat kan ook, op grond van het feit dat de ouders aangeven het zelf niet aan te zullen kunnen, het hebben van een ernstig gehandicapt kind. Wat zij wel en niet denken aan te kunnen, bepalen de ouders uiteindelijk zelf. Ook hier geldt dat een arts in zo’n geval onmogelijk kan zeggen “u vergist zich; u kunt het wel aan”. Nederland herbergt duizenden mensen van wie de handicap, als ze nog geboren moesten worden, thans aanleiding kan zijn voor een legale abortus.
Wie een ernstige, ongeneeslijke ziekte heeft en uit het leven wil stappen, zelfs als de terminale fase nog niet is ingetreden, kan daarbij hulp krijgen. Dat heet dan euthanasie, ook wanneer de patient in kwestie nog niet eens bedlegerig is.
Dit is de praktijk. Wellicht schrikt u daarvan of twijfelt u eraan, maar het is wel zo. Niet voor elke arts, maar dat is niet het punt. Het punt is dat in de praktijk de wens van patient of ouders gehonoreerd zal worden, wat men verder ook voor vraagtekens of bedenkingen bij de motivatie van hun wens zou kunnen hebben. En wil dokter A het niet, dan is er nog altijd een dokter B die geen bezwaar heeft.

Een opvallend verschil valt in dit verband te constateren tussen de inschatting van minister Borst m.b.t. de Viagrapil enerzijds en euthanasie / abortus anderzijds. Hoewel zij van de Gezondheidsraad het advies had gekregen om voor mannen met diabetes of een dwarslaesie de erectiepil te vergoeden, weigerde zij dat. Haar argument was dat grenzen in de praktijk blijken te worden opgerekt. Welke patient met potentieproblemen heeft tenslotte niet een beetje suikerziekte in de ogen van zijn huisarts, als dat een hoop geld scheelt ? Verstrekking van de pil zou daardoor te duur worden. Zij erkent in dit geval de praktijk, die zij als arts blijkbaar goed kent, waarin de druk op (of het verlangen van) een arts om mee te gaan in de wens van een patient een duidelijke rol speelt. Op grond waarvan zij dan in kwesties van leven en dood, waarin die druk eerder groter dan kleiner zal zijn, stug vol kan houden dat criteria en grenzen slijtvast zijn, maakt zij niet duidelijk.

Het bovenstaande leidt tot de volgende conclusie: Wie meent dat de theoretische waarborgen m.b.t. hulp bij zelfmoord van psychisch lijdende mensen zullen voorkomen dat een praktijk groeit waarin de wens van de patient bepalend is, is naïef. Of, waarschijnlijker, is onwillig om de discrepantie onder ogen te zien tussen zorgvuldige theorie enerzijds en de door individuele keuzes bepaalde praktijk anderzijds.

 

4.1 Vervagende grenzen

Met het hierboven geschrevene wil ik geen oordeel uitspreken over de mensen die die keuzes maken, noch over degenen die die keuzes honoreren. Ik heb in geen van beider schoenen gestaan en weet niet hoe ik zou reageren als ik dat wel stond.
Waar het om gaat is dat de discussie zuiver gevoerd wordt. Ik ben niet tegen gedogen, zolang maar afgesproken en uitgesproken is dat we het doen. De keizer hoeft van mij geen kleren aan te hebben, als we dan maar niet doen alsof hij dat wel heeft.

Wat er gebeurt wanneer we niet open en helder zijn over de praktijk m.b.t. euthanasie, zien en horen we dagelijks in de media. De grens tussen zelfmoord en euthanasie is vervaagd. In dat grensgebied duikt dan opeens weer een term op die ooit werd geïntroduceerd, gewogen en te licht bevonden: “zelfdoding”.
In het geval van dhr. Brongersma was de vraag: is hier sprake van hulp bij zelfmoord of is hier sprake van euthanasie ? Het woord zelfmoord werd echter niet gebruikt in de media die erover berichtten. Men sprak ook voor de uitspraak van de rechter over euthanasie, en in een enkel geval over hulp bij zelfdoding.
Nu kan men veronderstellen dat degenen die betrokken zijn bij euthanasie en de discussie erover, nog wel weten wat er in feite bedoeld wordt. Ik schrijf met opzet “nog wel”.

Hoezeer het versluierende taalgebruik en de vage discussie tot begripsverwarring leiden, en op termijn daardoor tot een praktijk die zich naar de taal voegt in plaats van andersom, wordt duidelijk uit een artikeltje in het huis-aan-huis blad de Groninger Gezinsbode van 25 october j.l. Bericht wordt dat de 51-jarige D. de V. niet te spreken is over de eis van levenslang die hij tegen zich hoorde eisen. Hij vindt levenslange gevangenisstraf niet humaan. Wordt hem die straf daadwerkelijk opgelegd dan overweegt De V. euthanasie, zo liet hij weten.
Nu zou men van de De V. nog kunnen veronderstellen dat hij wel gezond maar niet zo snugger is. Echter, ook de krant ziet blijkbaar niets vreemds aan zijn opmerking en publiceert hem zonder meer. Nog even en de term “zelfmoord” is niet meer politiek correct.

Laten we de zaken helder houden:

Moord is het doden van een ander.
Zelfmoord is het zichzelf doden.
Euthanasie wil zeggen dat een arts het leven van een ondraaglijk en uitzichloos lijdende patient beeïndigt, op diens eigen verzoek of, in sommige gevallen, op verzoek van familie/vrienden.
Het woord doding bestaat niet, en zelfdoding dus ook niet. Het is een soort verkleinwoord voor zelfmoord en bij deze voor de tweede keer afgeschaft.

De discussie over euthanasie draait om de vraag naar de scheidslijnen tussen moord, euthanasie en hulp bij zelfmoord.

 

4.2 Conclusies deel 1

  1. In de praktijk van de ethische kwesties is er een tendens naar het centraal stellen van de beleving en de wens van de patient of ouders.
  2. In de wet geformuleerde criteria en zorgvuldigheidseisen m.b.t. euthanasie suggereren een mate van objectiveit en wetenschappelijkheid die er in werkelijkheid niet is.
  3. Het idee dat deze criteria en eisen een waarborg zijn tegen het steeds verder opschuiven van grenzen is (dan ook) een illusie.
  4. De niet-erkende discrepantie tussen theorie en praktijk leidt tot begripsverwarring en een achter de feiten van de praktijk aanlopen van de wettelijke regels.
  5. Artsen, rechters, ethici, politici en andere beleidsmakers zijn geen deskundigen op het gebied van leven, lijden en sterven.
  6. Aan ervaringsdeskundigheid op dit vlak wordt in de maatschappelijke en politieke discussie geen enkele waarde gehecht.

 

5 DEEL 2 LIJDEN, GERECHTIGHEID EN DE WET

Als er iets is wat mensen gemeen hebben, in alle culturen en alle tijden, dan is het wel een hekel aan lijden.
Niemand vindt lijden leuk. Vrijwel iedereen heeft er zelfs een hekel aan. Zozeer soms dat mensen bereid zijn om te liegen, te bedriegen en te (zelf)moorden, om van hun lijden af te komen.
Een masochist ? Ook die houdt niet van lijden. Die geniet namelijk van de pijn of de vernedering, en lijdt dus niet. Lijden is dan ook niet synoniem met pijn. Iemand kan lichamelijke pijn ervaren, zonder te lijden. Of verdriet hebben zonder te lijden.
Wat is lijden dan ? Lijden is verzet tegen de werkelijkheid zoals die ervaren wordt, omdat die afwijkt van de werkelijkheid zoals die gewenst wordt.
Een Serviër kan lijden onder de aanwezigheid van een vreemd volk op wat hij als de bakermat van de Europese beschaving ziet. De werkelijkheid is anders dan hij wil en daarom lijdt hij. Z’n wat ruimdenkender buurman maakt het niet uit wie waar woont, en lijdt niet onder diezelfde situatie.
Een kies die pijn doet, is op zich een interessant fenomeen. Wie het wetenschappelijk bestudeert, kan de theorie m.b.t. signaaltransmissie via zenuwen toetsen aan de praktijk van de eigen rotte kies. Boeiend. Wie echter z’n energie steekt in verzet, in het wensen dat de pijnlijke kies er niet was en/of vrezen dat het erger wordt, versterkt het lijden.

Kortom, lijden is persoonlijk, subjectief en dus, zoals advocaat Sutorius al zei, per definitie psychisch. Anders gezegd, lijden bestaat in het individueel bewustzijn en nergens anders.

Wanneer wij enigermate beseffen dat ons lijden voortkomt uit onze eigen reactie op de omstandigheden, is een logische volgende stap het zoeken naar die innerlijke houding die lijden voorkomt of beperkt. Met dit leerproces is de mens, bewust of onbewust, voortdurend bezig. Een ezel stoot zich niet twee maal aan dezelfde steen, dus waarom zouden wij dat wel doen ?
De manier waarop men dat het beste doet, het voorkomen van lijden, daarover kan men van mening verschillen. De een zal kiezen voor een korte weg naar de hemel door zichzelf op te blazen bij een zelfmoordaanslag. De ander zal de strategie hebben om toe te geven aan elk verlangen dat in hem opkomt. Een derde sluit zich op in een Zen-klooster en mediteert 12 uur per dag.
Ieder mens heeft het recht de eigen manier van vermijden van pijn te kiezen. Ieder mens heeft dus ook het recht om te kiezen voor een zinloze, tot niets of tot meer pijn leidende strategie. Het is niet aan een ander, ook niet aan de overheid, om voor te schrijven hoe te leven.
Of hoe te sterven.
Dus. Ieder mens heeft het recht om zelfmoord te plegen. Sterker nog, ieder mens heeft het recht om te moorden, te stelen, te verkrachten, zijn armen eraf te zagen of een atoomoorlog te ontketenen. Het simpele feit dat al deze zaken mogelijk zijn, impliceert dat recht. Hitler had het recht om te doen wat hij deed, net zoals u dat heeft. Een andere kwestie is: Hoe reageert een samenleving op diverse soorten gedrag ? In alle samenlevingen kent men taboes. Stelen bijvoorbeeld is “not done”, over het algemeen. Dat geldt ook voor moorden.
Maar als gemoord wordt om de familie-eer te redden, is dat in sommige culturen een verzachtende omstandigheid. Iets waarover men zich in andere culturen dan weer opwindt. Die opwinding wijst op gevoelens die dieper liggen dan het niveau van “onderlinge afspraken”. Niettemin zijn wetten in eerste instantie niets anders dan onderlinge afspraken over wat taboe is en wat niet. Iedereen heeft weliswaar het recht om een ander te vermoorden, maar de afspraak is wel dat als je gepakt wordt en de moord bewezen kan worden, je de gevangenis in draait of op de electrische stoel komt te zitten. Idem voor stelen, verkrachten en oplichten. Met behulp van de door onszelf opgestelde wetten proberen we zo het gedrag van alle deelnemers aan de samenleving te sturen in de door onszelf gewenste richting. Een moeizaam proces, omdat belangen, meningen en overtuigingen nogal eens botsen. Toch is in veel landen in de loop der eeuwen een omvangrijk systeem van wetten en regels gegroeid waar de overgrote meerderheid van de burgers achter staat en zich ook redelijk aan houdt.

Weer een andere kwestie is: Wat zijn, los van de wet, de gevolgen voor het individu van zijn eigen handelen ? Bestaat er een soort gerechtigheid die zodanig functioneeert dat ieder mens de gevolgen van de eigen daden zal ondervinden ? Een moordenaar die niet gearresteerd wordt, of niet veroordeeld wordt wegens gebrek aan bewijs, gaat die ook vrijuit in de zin van “geen gevolgen ondervinden” ? Moeten wij Jezus’ woorden “zoals je zaait, zul je oogsten” serieus nemen of niet ? Het idee van “karma”, dat hiermee in feite overeenkomt, is dat een juiste weergave van de werkelijkheid ?

Bovenstaande twee kwesties roepen een interessante en uiterst belangrijke vraag op. Namelijk:

Vraag 6:

Bestaat er een verband tussen maatschappelijke, juridische gerechtigheid en universele gerechtigheid ?
(Daarbij aantekenend dat we van de eerste wel en van de tweede niet met zekerheid kunnen zeggen dat hij bestaat).

Anders geformuleerd: Zijn wetten het resultaat van een denkproces over maximaal voordeel voor de stam/ het volk/ de samenleving ? Of is er een intuïtief besef van “goed en kwaad” dat wij met vallen en opstaan proberen steeds beter uit te drukken in onze wetten ? Vinden wij onze huidige wetten humaner dan die in de middeleeuwen omdat ze zorgen voor een efficiëntere/leukere/gezelligere/rijkere maatschappij ? Of omdat we voelen dat we als samenleving met onze wetten nu dichter bij universele grootheden als waarheid, respect, mededogen en liefde zijn gekomen dan toen ?

Kijkend naar de sociale, culturele en politieke ontwikkelingen in de afgelopen eeuwen wordt duidelijk dat er zeer diepe drijfveren ten grondslag liggen aan onze pogingen de samenleving te verbeteren. Zo diep en tegelijk zo herkenbaar, net als grote kunstwerken, dat ze het individuele en pragmatische overstijgen.
Het antwoord op de gestelde vraag (6) is dus ja. Zelfs al zou er niet zoiets als een universele orde bestaan, dan nog is duidelijk dat onze Nederlandse wetgeving voortkomt uit het verlangen en voortdurende pogen om het joods/christelijke gedachtengoed tot uitdrukking te brengen in de inrichting van de samenleving.
Kijken we naar andere landen met een democratische staatsinrichting, ook landen waar andere religies dominant zijn, dan zien we grote overeenkomsten in gedachtengoed en wetgeving. Het is alsof alle in vrijheid levende volkeren, in al hun verscheidenheid en verschillende ontwikkelingsfasen, ernaar streven “het geweten van de mensheid” tot uitdrukking te brengen in hun wetgeving. Of zo’n geweten bestaat, doet daarbij niet echt ter zake.

Keren wij nu terug naar Nederland, lijden en de wet. De vraag die voortkomt uit bovenstaande overwegingen, en die te weinig gesteld wordt in deze bewoordingen is de volgende.
Vraag 7:

Reflecteert een wet die euthanasie bij psychisch lijden accepteert, het “weten” van de mensheid met betrekking tot lijden ?
Zo ja: mooi zo.
Zo nee, dan gaat er iets ernstig mis. Waarmee we terug zijn bij de opmerking in de inleiding over het waarom van dit stuk.

Wat gaat er dan ernstig mis ?
Wanneer er inderdaad zoiets bestaat als universele gerechtigheid, persoonlijke verantwoordelijkheid voor keuzes, en een individuele oogst van wat met die keuzes gezaaid wordt. Los van wetten en regels dus. En wanneer euthanasie bij psychisch lijden niet in overeenstemming is met het “weten” van de mensheid, met de universele orde. Dan zouden wij, onbedoeld maar toch, bezig zijn om voor elkaar en onze kinderen een pad begaanbaarder te maken dat niet leidt naar minder lijden, maar naar meer lijden. Wanneer de universele orde van ons vraagt om op ons psychisch lijden anders te reageren dan met zelfmoord, en wij desondanks d.m.v. wetgeving suggereren dat “eruit stappen” in orde is en de uitvoering ervan faciliteren, dan zullen mensen daar individueel de wrange vruchten van plukken.
Dit is misschien geen leuke vaststelling, maar wel een onweerlegbare.
Om het nog onaangenamer te maken, kunnen we de vergelijking maken met islamitische zelfmoordcommando’s. Deze mensen geloven dat hun daad hen linea recta naar de hemel voert. Dat is hen verteld door fanatieke imams, gefrustreerde gelovigen en gewetenloze politici. Maar wat weten die daarvan ? Op basis van welke kennis, welke wijsheid, wijzen zij anderen deze snelweg naar de hemel ? Gelooft u, beste lezer, hun beweringen ? Ik ook niet. Vind u dat deze wegwijzers medeverantwoordelijk zijn voor de eventuele gevolgen die de daders van aanslagen over zich afroepen ? Ik ook.
Maar nu wij. Op basis van welke kennis suggereren wij met onze wetgeving dat zelfmoord vanuit universeel oogpunt een acceptabele uitweg uit lijden is ? En mochten we het niet helemaal juist gezien hebben, zijn wij dan ook mede-verantwoordelijkheid voor de gevolgen die deze wanhopige mensen eventueel over zich afroepen ?

Dit heeft niets te maken met zorgvuldige processen, second opinions etc., dat moge duidelijk zijn. Ook niet met de vraag of het medium een trein, een plastic zak, een flatgebouw of een spuitje is.

 

5.1 Het voorzorgbeginsel

En toch is het antwoord op de hierboven gestelde vraag (7) niet relevant met betrekking tot de belangrijkste conclusie van dit artikel. Die conclusie kan namelijk op grond van het voorgaande al getrokken worden. En hij luidt:
Tenzij men kan aantonen of op z’n minst aannemelijk kan maken dat het plegen van euthanasie op psychisch lijdende mensen niet in strijd is met een eventueel bestaande universele orde, eist het voorzorgbeginsel dat de wet dit ontmoedigt.

Anders geformuleerd: Het mag niet zo zijn dat een wet, door nadrukkelijk ruimte te laten en het proces van facilitering te omschrijven, de burger suggereert dat een bepaalde wijze van handelen geen nadelige gevolgen voor hem/haar zal hebben, terwijl helemaal niet vast staat of dat wel of niet zo zal zijn.

Het voorzorgbeginsel houdt in dat wanneer niet zeker of zeer waarschijnlijk is dat een bepaalde handelswijze geen nadelige gevolgen zal hebben (dusdanig groot in verhouding tot het beoogde doel dat dit doel het middel onmogelijk nog kan heiligen), men niet tot deze handelswijze mag overgaan.
Op basis van dit beginsel heeft het kabinet bijvoorbeeld afgezien van gasboringen in de Waddenzee. (Althans, naar eigen zeggen. Of er niet eerder sprake was van politiek opportunisme zal blijken wanneer de economie er minder rooskleurig voorstaat.)

 

5.2 Samenvatting / conclusie deel 2

Lijden bestaat alleen in ons bewustzijn. Het ontstaat als een combinatie van omstandigheden en onze reactie erop. Niemand houdt van lijden.
Ieder mens mag er een eigen methode van lijden vermijden op na houden, hoe absurd of geweldadig ook. Maar de wet legt op sommige van die methoden een straf. Mogelijk bestaat er een universele orde die, los van wetten, individuen confronteert met de gevolgen van eigen keuzes. Spirituele leiders wijzen daarop.
Wetgeving in een democratisch land (soms ook in het land van “wijze alleenheersers”) is zoveel mogelijk een weerspiegeling van wat als een universele orde wordt ervaren of beschouwd.
Het voorzorgsbeginsel eist dat wat in de juridische orde wordt gesuggereerd, niet in strijd is met een eventuele universele orde.
Indien die strijdigheid er wel is in het geval van euthanasie bij psychish lijden, zou de overheid voor zijn burgers een weg openen die leidt naar groter individueel lijden.

Op grond hiervan dient de wet in dergelijke gevallen te spreken van hulp bij zelfmoord en in principe strafbaarheid daarvan te handhaven.
(Wat niet wil zeggen dat er ook altijd straf opgelegd moet worden).

 

6 Voor wie verder wil lezen, nadat de conclusie al getrokken is:

DEEL 3 WAT WETEN WIJ OVER LIJDEN ?

Men zou zeggen dat de mensheid, die deze hobby al duizenden jaren beoefend, toch enige kennis verzameld zou moeten hebben over lijden en de rol daarvan in ons leven. Wanneer we dit onderzoeken, dan merken we al snel dat dat inderdaad het geval is. Een probleem daarbij is dat deze kennis maar voor een deel het soort kennis is dat de afgelopen eeuwen onder wetenschappers zo populair is geweest, n.l. natuurkundige, meetbare kennis. Natuurlijk zijn er allerlei lichamelijke effecten die optreden bij innerlijk lijden, en deze kunnen prima gemeten worden. Toch ontstijgt de in dit verband meest relevante kennis het laboratorium: De kennis in de vorm van inzicht en ervaring.
Aanvaarden we dat meetbare grootheden ons hier niet veel verder helpen, dan zien we dat er een hoge berg empirisch bewijsmateriaal ligt dat de volgende stellingen ondersteunt:

  1. Lijden is universeel. Het hoort bij het leven.
  2. Lijden heeft een functie. Het kan iets opleveren.
  3. De mens heeft het vermogen het lijden te beïnvloeden, zelfs te transformeren.
  4. Het ontkennen of ontwijken van lijden leidt tot de continuering ervan.
  5. Op het afwentelen van lijden op anderen rust een vrijwel universeel taboe.
  6. Het niet aanvaarden van de verantwoordelijkheid voor het transformeren van het eigen lijden leidt tot vervreemding en wanhoop.
  7. Waarschijnlijk komt aan alle lijden een eind.

Toelichting.

1 Lijden is universeel.
Dit behoeft geen toelichting; die geeft de wereldliteratuur al.

2 Lijden heeft een functie.
Talloos zijn de getuigenissen van mensen die geleden hebben en hun lijden niet als puur negatief beoordelen. Het worstelen met moeilijke omstandigheden, verlies, lichamelijk lijden, heeft hen sterker gemaakt, dichter bij de kern van het leven gebracht. Lijden blijkt inzicht te kunnen geven in wat werkelijk belangrijk is in het leven en wat bijzaak is. Uiterlijk verlies kan zo tot innerlijke winst leiden. Honderden miljoenen keren is door mensen die geleden hebben gezegd “Het is goed geweest. Ik heb ervan geleerd. Ik had het niet willen missen”.
Dat maakt lijden nog niet leuk, maar daar wordt nu eenmaal niet naar gevraagd.

3 De mens kan het eigen lijden beïnvloeden.
Heel het systeem van geestelijke gezondheidszorg is gebaseerd op dit uitgangspunt. Gezien de miljarden aan belastinggeld die ermee gemoeid zijn en het ontbreken van protest daartegen, is dit blijkbaar een onomstreden stelling.

4 Ontkennen helpt niet.
Lijden vindt plaats in het bewustzijn, zagen wij al, en is een combinatie van omstandigheden en onze reactie erop. Daaruit volgt dat lijden alleen ophoudt wanneer de omstandigheden veranderen of wanneer onze reactie op die soort omstandigheden verandert.
In het eerste geval zal het lijden terugkeren op het moment dat eenzelfde soort prikkel tot het bewustzijn doordringt. Alleen in het tweede geval kan men zeggen dat het lijden, althans dat specifieke soort lijden, overwonnen is.
Ook dit is een uitgngspunt waarmee duizenden psychologen en therapeuten dagelijks werken.

5 Het afwentelen van lijden op anderen is taboe.
Dit is in feite de basis van ons rechtssysteem. Wij mogen ons gebrek niet opheffen door van een ander te stelen. Onze sexuele nood niet oplossen door iemand te verkrachten. Onze woede niet koelen door een ander te doden. Enzovoort. In alle morele codes komt dit principe terug.

6 Wij zijn zelf verantwoordelijk voor het opheffen van ons lijden.
Dat volgt uit het voorgaande.
(Toch is dit een lastige stelling. Want als ik in een dictatuur leef, dan hoort de dictator mijn lijden op te heffen. Of anders de VN of de NAVO. Toch ? Als ik armoede lijd in Nederland dan moet de overheid de uitkeringen verhogen en zo mijn lijden opheffen. Toch ?
Nee dus. Hier wordt sociale (on)gerechtigheid verward met individueel lijden. Want als een ander, de overheid, “men”, verantwoordelijk zou zijn voor het opheffen van mijn lijden, waarom hebben we dan zo’n mateloze bewondering voor Nelson Mandela ? Dat is toch juist omdat hij niet zijn eigen lijden afhankelijk maakte van andermans keuzes ?
En vinden miljoenen mensen niet Jezus’ woorden “Vader, vergeef het hen want ze weten niet wat ze doen” het bewijs van zijn liefde en zijn vermogen om lijden te overstijgen ?)
Natuurlijk is het mooi als onze omstandigheden verbeteren. Maar innerlijke vrijheid levert dat niet op. En als lijden in het bewustzijn plaatsvindt, dan kan het logischerwijs ook alleen daar beëindigd worden.

7 Waarschijnlijk komt aan alle lijden een eind.
Want dat weten we niet zeker. We zien weliswaar dat in de loop der tijd heel veel wonden geheeld worden. Na regen komt zonneschijn. Na leven komt dood, en dan zijn we in ieder geval van lichamelijk lijden verlost.
Ook zien we dat alle lijden, lichamelijk of psychisch, wordt gedragen tot het lijden ophoudt. Of tot het leven ophoudt. Zo bezien bestaat ondraaglijk lijden per definitie niet. En uitzichtloos lijden ook niet.
Heel veel problemen zijn opgelost door rustig door te ademen en verder niets te doen. Want het leven is een beweging. Het kan kort duren of lang duren, maar niets blijft altijd hetzelfde.

Een grote vraag in dit verband is: maakt zelfmoord een einde aan ons lijden ? Het antwoord luidt ook hier: dat weten we niet zeker. Toch valt er wel wat over te zeggen. Het blijkt dat degenen die met enig gezag hierover spreken, er unaniem over zijn. Dat gezag is gebaseerd op ervaring (er zijn heel wat mensen die een zogeheten “bijna-dood-ervaring hebben gehad na een zelfmoordpoging), of veronderstelde kennis (profeten; religieuze leraren; geopenbaarde boeken). In het laatste geval zal dat gezag alleen erkend worden door mensen die waarde hechten aan die kennis of geloven in de hoge geestelijke statuur van de vertolker ervan. De mening van degenen die er op grond van ervaring of veronderstelde kennis over spreken, is dat zelfmoord geen goed idee is en geen verlossing brengt van het lijden waaraan men tracht te ontkomen. Dat laatste zou in tegenspraak zijn met de bewering dat aan alle lijden een eind komt, ware het niet dat de meesten die zich hierover uitlaten tevens uitspreken dat in ieder’s bestaan liefde uiteindelijk het laatste woord heeft en dat alle lijden daarin op zal lossen.

Een belangrijke aanwijzing voor de stelling dat aan alle lijden een eind komt en dat zelfmoord niet een geëigend middel daartoe is, vormen de wetten, de mondelinge en schriftelijke morele codes van oude en nieuwe culturen wereldwijd. Immers, wij zagen al dat een gemeenschappelijk element in vrijwel alle culturen is: het taboe op het afwentelen van ons lijden op anderen. We moeten het blijkbaar zelf oplossen. Wanneer we dan ook nog zien dat zelfmoord in ethische richtlijnen in het algemeen wordt afgewezen, blijven er twee mogelijkheden over:

1 Deze codes zijn opgesteld door wrede geesten die de mens geen uitweg uit zijn lijden willen bieden.

2 Deze codes komen voort uit het besef dat lijden niet vermeden maar doorleefd dient te worden, omdat dit de mens aanzet tot transformatie, wat tegelijk de uitweg is.

Die eerste mogelijkheid kan alleen overwogen worden indien de hele geschiedenis van de beschaafde wereld herschreven wordt. Doen we dat niet, en waarom zouden we, dan blijft de laatste mogelijkheid over. En die is in lijn met wat de meeste sociale, spirituele en humanitaire leiders door de eeuwen heen hebben beweerd.

 

7 EPILOOG, VERMANENDE WOORDEN, OPROEP

Er is een oude wijsheid die zegt dat paden gemaakt worden door ze te bewandelen. In zekere mate is elke uitspraak en elke handeling een self-fulfilling prophesy. Door iets te zeggen wordt het al een beetje waar.
Wanneer we met dit in het achterhoofd kijken naar de discussie over euthanasie, zien we dat het belang ervan niet beperkt is tot een aantal individuele gevallen. De richting die we ingaan via wetgeving en jurisprudentie is niet alleen een weerslag van of een reactie op ons denken. Het vormt ook ons denken.
Kardinaal Simonis had dus in wezen wel gelijk toen hij beweerde dat de toename van het zogeheten zinloos geweld te maken had met onze manier van denken over ethische kwesties. Jammer dat hij zijn intuïtieve waarnemingen (of wat het ook waren) niet weet te onderbouwen en in plaats daarvan bij het doen van uitspraken leunt op zijn gezag als vertegenwoordiger van de katholieke kerk. Dat mensen weinig boodschap aan zijn boodschappen hebben, ligt dan ook aan hemzelf. Maar dit terzijde. Het punt is dat de huidige tendens van de overheid om steeds meer uit te gaan van individuele wensen van burgers, ongeacht of deze nu uit wijsheid dan wel dwaasheid voortkomen, een zichzelf versterkend effect zal hebben. Wanneer wij nu, aarzelend en met enige schroom, toestaan dat mensen die psychisch lijden via een spuitje van de dokter uit het leven stappen, dan is dat over 10, 20 jaar, de normaalste zaak van de wereld. Over 30 jaar komt men als 82-jarige wat neerslachtig terug van een reisje naar de zon, en stapt de spreekkamer binnen met de vraag “wat denkt u dokter, euthanasietje maar ?” Ik chargeer, maar misschien niet eens zo veel.
Wanneer we van lijden een optie maken, iets wat men kan maar niet perse hoeft door te maken, dan moeten we er niet verbaasd over zijn dat een vermeend recht op “instant-geluk” een steeds grotere factor wordt in de samenleving. Wanneer alles wat niet gezond, gaaf, leuk, te gek, enz, is een stempel krijgt “tot elke prijs vermijden’, hoe zal dat uitwerken op onze bereidheid om te werken aan onszelf ? Op ons streven naar eigenschappen als geduld, liefde, vertrouwen, volharding, nederigheid, mededogen ? Wanneer wij mensen die lijden bevestigen in dat lijden, in plaats van verwachten dat ze er zelf actief in zijn en hen daarbij steunen, wat leren wij elkaar en onze kinderen dan ?

Dhr. Brongersma heb ik niet persoonlijk gekend. Het onderstaande is dan ook speculatief, gebaseerd op informatie in de media en slechts bedoeld als voorbeeld.

Het gevoel van eenzaamheid en overbodigheid dat dhr. Brongersma ervaarde, was voor hem aanleiding om een eind aan zijn leven te willen maken. Indien hij lijden had gezien als iets dat aanzet tot reflectie en transformatie, dan had hij wellicht een andere conclusie getrokken. Bijvoorbeeld dat hij in het verleden teveel zijn gevoel van eigenwaarde en nuttigheid had laten afhangen van zijn rol als parlementariër, en van het bezig zijn met zijn pedofiele geaardheid en pedofilie als verschijnsel. Waarom zou iemand van 86 niet, met steun van anderen, in staat zijn om zoiets in te zien en daar lering uit te trekken ? De opmerkingen “je bent nooit te oud om te leren” en “beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald” zijn niet voor niets volkswijsheden geworden.
Waren er geen anderen die tijd voor hem hadden ?
Neem me niet kwalijk, maar hoeveel honderdduizenden of miljoenen mensuren zouden er zijn besteed aan het praten, schrijven en lezen over deze man ?

Leven we nu eenmaal in een maatschappij die lijden ziet als iets dat zoveel mogelijk vermeden dient te worden, en kun je daarom niet van een oude man verwachten dat hij nog “aan zichzelf gaat werken” of iets dergelijks?
Dat is nu precies de reden waarom wij collectief verantwoordelijk zijn voor zulke tragedies. En waarom ieder van ons zich dient af te vragen of de kant die de wetgeving de laatste jaren op gaat met betrekking tot ethische kwesties, de juiste is.

En wat is het toch, beste lezer, dat maakt dat we als samenleving steeds meer de kant van “dat moet iedereen zelf maar weten” op lijken te gaan ? Is dat nu werkelijk omdat we zo’n belang hechten aan individuele vrijheid ? Of is het omdat het ons ontbreekt aan de morele moed om dingen te zeggen die anderen niet willen horen ? Zijn we er nu werkelijk van overtuigd dat het goed is om mensen die psychisch lijden voor een spuitje te laten kiezen, of hebben we geen zin om onze mond open te doen, laat staan tegen de stroom in te roeien ? Het argument dat, als de arts hen dat spuitje niet mag geven, straks duizenden bejaarden op een onwaardige manier (pillen, flatgebouwen, plastic zakken) zullen sterven, gaan we daar in mee uit mededogen of uit lafheid ?

Ik ben geen politicus en kan geen stemmen verliezen. Ik hoef dus ook niet elke vier jaar te beweren dat iedere burger zelf het beste weet wat goed voor hem is. Wel wetende dat de statistieken over, bijvoorbeeld, het aantal rokers en alcoholisten al jaren het tegendeel aantonen.
Ik kan ongestraft onderstaande oproep doen, of vreselijke maar ware dingen zeggen. Zoals dat er een moeilijke maar integere en schone manier is om een eind aan je leven te maken, n.l. stoppen met eten en/of drinken. Of dat het schrikbeeld van die duizenden bejaarden die voor de trein zullen springen geen inhoudelijk argument is, maar eerder een verbaal chantagemiddel. Of dat sterven helemaal geen medische aangelegenheid is.

Dit stuk is af. Nu is het aan u. Wie mijn zorg deelt over het soort samenleving die we aan het creëren zijn, roep ik bij deze op om twee dingen te doen:

  • In het eigen leven steeds te zoeken naar het juiste pad en zich daarbij niet te laten leiden door emoties of heersende opvattingen, maar door ware wijsheid en werkelijk wijzen.
  • Zich uit te spreken, in eigen kring of publiekelijk. Immers, de maatschappij, dat zijn wij. De kwaliteit van leven in Nederland is onze verantwoordelijkheid.

 

Onna, 11 - 1 - 2001
Copyright 2001 Peter van Kan
Dit document mag zonder toestemming gekopieerd of geciteerd worden.