Deskundigen gaan buiten hun boekje

In de discussie rond de hongerstaking van Volkert v.d.G, komen voortdurend deskundigen aan het woord en de pen. Juristen, artsen, ethici. Het ogenschijnlijk gezag, soms zelfs gemak, waarmee deze mensen stellige uitspraken doen over begrippen als dwangvoeding en zelfbeschikking, kan gemakkelijk opgevat worden als een bewijs van hun deskundigheid. Wie echter niet meteen onder de indruk is en de vraag stelt naar de grenzen hun competentie, komt tot de conclusie dat menige deskundige een “deskundige” blijkt op het terrein waarop hij (zelden zij) zich begeeft. Het bontst maken degenen het die in onze geseculariseerde samenleving de rol van pastoor en dominee lijken te hebben overgenomen, de ethici.

Laten we proberen de grenzen helder te trekken:

Juristen zijn deskundig op het gebied van bestaande wetten. Uiteraard kunnen zij het wel of niet eens zijn met bepaalde wetgeving, en een mening hebben over het morele gehalte ervan. Dat kunnen de loodgieter, de bankemployee en de topsporter echter ook, en met evenveel recht van spreken.

Artsen hebben medicijnen gestudeerd en zijn deskundig op het gebied van het beter maken van mensen. Hoewel zij met zaken van leven en dood te maken hebben, is er geen reden om aan te nemen dat zij meer weten van de zin van lijden, de morele juistheid van abortus en euthanasie of het realiteitsgehalte van religieuze voorstellingen over leven na de dood, dan een willekeurige andere burger. Ethici hebben bestudeerd welke normen, waarden en denkbeelden in verschillende tijdvakken en in verschillende culturen dominant zijn geweest, en welke thans ten grondslag liggen aan onze wetten. Uiteraard kunnen zij privé hierover een waardeoordeel hebben en uitspreken. Hun mening over wat waar is als het gaat om de grote levensvragen (wie ben ik, waarom, waar naartoe ?), en wat juist is in het menselijk verkeer, kan echter geen zeggingskracht ontlenen aan hun kennis van hoe anderen daarover dachten en denken. Kennis is nog geen wijsheid; de mensheid heeft heel wat geleerde dwazen en onnozele wijzen geproduceerd.

De taak van ethici is niet antwoorden geven, met stelligheid aangeven wat wel en niet moreel juist is. Het feit dat de dames en heren ethici het onderling vaak niet eens zijn, spreekt boekdelen over hun competentie in deze. Hun taak is om vragen te stellen; om aan te geven welke morele vraagstukken aan de orde zijn wanneer wetten gemaakt of gewijzigd moeten worden.

Het cumulatieve effect van alle over ons uitgestorte “deskundigheid” is de indruk dat zaken vaststaan, een natuurlijk of existentieel gegeven zijn, terwijl er slechts sprake is van onderlinge afspraken. Zelfbeschikkingsrecht wordt op die manier een soort biologisch gegeven, iets wat men met de geboorte meekrijgt. De werkelijkheid is dat de mate van “baas zijn over eigen lichaam” minimaal is. De miljarden klachten die wereldwijd dagelijks geuit worden over het eigen lichaam (kaal, pijn, ziekte, dood) maken dat duidelijk. Zelfbeschikkingsrecht is een onderlinge afspraak, die ooit gemaakt is en dus ook weer veranderd kan worden.

Artsen zouden niet mogen meewerken aan dwangvoeding omdat dit niet strookt met de medische ethiek. De stelling wordt gebracht als een gegeven, inherent aan het arts zijn. Maar wat nu als een zeer deskundige arts de overtuiging heeft dat zelfmoord plegen slecht is voor de patiënt, en het zijn menselijke of zelfs medische plicht is om dat te voorkomen ? Op grond van welke kennis over de zin van leven en lijden kunnen collega’s hem dat (moreel) verbieden ? Het verbod kan alleen juridisch zijn; gebaseerd op een onderlinge afspraak.

De zwakte van het fundament onder de stellige beweringen van medisch-ethicus Hans van Delden in de Volkskrant van zaterdag j.l., blijkt wanneer de vragensteller hem naar de kern van de zaak brengt. Het antwoord is dan ‘Als het goed is, kent de vertrouwensarts de beweegredenen van de hongerstaker”. Tja. En als het niet goed is? En als die beweegredenen zijn (en natuurlijk zijn ze dat) angst, wanhoop, gebrek aan liefde?

Het wordt tijd dat de “deskundigen” wat vaker erkennen dat zij niet meer dan een beperkt stukje kennis te bieden hebben, en het ook niet het verlossende woord kunnen spreken als het gaat om morele kwesties.

Het wordt ook tijd dat de media het wat vaker gaan zoeken bij wijze mensen, i.p.v. gemakzuchtig het volgende blik “deskundigen” open te trekken. Veel te verliezen is er niet, want van groot moreel gezag bij het publiek is geen sprake. Advocaten gaan in de volksmond door voor zakkenvullers en ijdeltuiten. Artsen krijgen, terecht of onterecht, er ongenadig van langs op verjaardagspartijen en bij de klachtenlijnen van patiëntenorganisaties. Ethici worden hooguit glazig aangestaard.

Dat is gechargeerd, ja. Maar nauwelijks.