In de hemel

Dit was heerlijk wakker worden. Zachte muziek, een aangename geur. Arnout voelde zich als herboren. Lang geleden dat hij zo ontspannen was. Bijna zonde om de ogen te openen. Toen hij dat uiteindelijk deed, keek hij verbaasd om zich heen. En vijf minuten later deed hij dat nog steeds. Waar was hij ? Wie waren al die mensen ?

Langzaam stond Arnout op en liep in de richting van een zaal waar hij mensen met koffie en drankjes uit zag komen. Hopen maar dat ze hier niet van die slappe bakkies serveerden. Ach kijk, de dames die bedienden waren verkleed. Hij moest dus op een soort feest zijn. Toch vreemd dat hij geen idee had wat voor feest dan.

‘Arnout ?’

Die stem herkende hij meteen. ‘Egbert !’

‘Kerel.’

‘Egbert. Wat goed je hier te zien.’

Ze schudden elkaar de hand. ‘Alles goed Egbert ?’

‘Alles goed ?’ Egbert keek Arnout onderzoekend aan. Maak je een grapje of ben je ook net aangekomen ?’

‘Eerlijk gezegd was ik ingedommeld en word ik net wakker. ’

‘En je vraagt je af waar je bent.’
‘Eh, ja.’

Egbert knikte. ‘Nou kerel, kom maar eens mee. Jij gaat grote ogen opzetten, zo groot als de mijne. Ik weet het ook nog maar net.’

Egbert nam Arnout even bij de arm, liet hem na een paar stappen weer los en ging hem voor. Door de zaal met de bar, een gang, nog een enorme zaal en een atrium. Een grote boog vormde daar de ingang naar weer een andere zaal. De sfeer was er opmerkelijk rustig.

Ze liepen een stukje naar binnen in. Egbert wees op het podium, in de verte.

‘Arnout, kerel, we zijn er.’ Egberts stem klonk opeens vreemd. Het was niets voor hem om emotioneel te zijn, dacht Arnoud. Misschien was hij licht verkouden.

‘Waar zijn we ? Wat bedoel je ?”

Egbert wees weer op het podium en fluisterde ‘Dat is hem.’

Arnout keek weer maar kon niet goed onderscheiden wie of wat daar dan te zien was. Maar nu vielen hem de grote schermen op die op diverse plekken in de zaal hingen. Daarop was een oudere man te zien, die op een verhoging rustig op een soort troon zat. Naast hem stond een kleinere zetel, die leeg was. Aan de zijkant van het podium was een vrouw in de weer met een theepot.

Verwachtingsvol keek Egbert opzij, maar er leek nog geen kwartje te vallen.

‘Is dit een soort …. congres misschien,’ aarzelde Arnout. ‘Iets cultureels ?’

‘Man, kijk nu eens goed.’ Op dat moment liep een jongeman het toneel op en nam plaats op de lege zetel. ‘Zie eens aan welke hand hij gaat zitten.’

Het woord hand deed het hem. Arnouts ogen werden bijna zo groot als zijn brillenglazen. ‘Is dat…. Is dit…..zijn we ….?’

‘Ja kerel. We zijn er. We hebben het gered.’

Ze keken elkaar aan. Even leek het alsof ze elkaar zouden omhelzen, men bereikt niet elke dag zijn eindbestemming tenslotte. Maar nee, ze schudden elkaar stevig de hand. Wel legde Egbert daar voor de gelegenheid zijn linkerhand nog eens bovenop.

‘Ik moet even gaan zitten’ zei Arnout. “En die kop koffie kan ik ook wel gebruiken.’

‘Natuurlijk. Ik was ook van slag hoor. En nog wel een beetje. In deze zaal mag je denk ik geen consumpties gebruiken, dus laten we terug naar de hal gaan.’

Terwijl Egbert achter koffie aanging, probeerde Arnout zijn gedachten tot rust te laten komen. Het lukte slecht. Goddomme, dit was de hemel. Hij was aan de goede kant van de streep terecht gekomen. Dit was zo geweldig, zo overweldigend. Hij kon het haast niet geloven. Hoe kon dit ? Wist God dan niet van zijn zondige gedachten ? En van … nee, niet aan denken nu. Stel je voor dat zijn gedachten gemonitord werden. Aan iets anders denken. Irene ! Hemel, hij had nog helemaal niet aan Irene en de kinderen gedacht. Hij was dood, besefte hij opeens. Dood !

Dit was een fikse domper op de aanvankelijke vreugde. Dood, verdorie. Met een bedrukt gezicht nam hij de koffie van Egbert aan. ‘We zijn dood Egbert.’

‘Ik weet het.’ Even was het stil. ‘Maar we hebben nu toch het eeuwige leven ? Dan geeft het toch niet dat we dood zijn ?’

‘Tja, je zult wel gelijk hebben. Het is duidelijk God daarbinnen. Jezus aan zijn rechterhand, dat kan niet missen.’

‘Precies.’ Weer was het even stil.

‘We moeten hem loven Arnout,’ vond Egbert opeens.

‘Loven ?’ Arnout aarzelde. ‘Dat heb ik mijn hele leven al gedaan. Om hier te komen. En nu ben ik hier. Moeten we hier dan ook altijd blijven loven ?’

‘Dat weet ik eigenlijk niet. Misschien kunnen we het iemand vragen. Dominee van Dijssel, die is hier al jaren. Als we die kunnen vinden….’

‘Op zich een goed idee Egbert. Maar eerst even bijkomen alsjeblieft. Hadden ze geen koekjes bij de koffie ?’

‘Neem me niet kwalijk, daar heb ik even niet op gelet. Zal ik teruggaan ?’

‘Ach nee. ‘ Ze namen in stilte een paar slokken. ‘Misschien straks bij het tweede kopje.’

De koffie viel niet tegen, vond Egbert. En tijdens het drinken begon Arnouts stemming weer wat bij te trekken. ‘In de hemel, Egbert. Beter kun je het niet krijgen toch ?’

‘We hebben het gehaald kerel. Het is allemaal niet voor niets geweest. We zitten goed. Voor eeuwig kerel, voor eeuwig !’

‘Kan niet beter.’

‘Nooit meer die druk. Die eh….’

‘Angst.’

‘Die had jij ook ? Man ik heb heel wat nachten liggen zweten. Je wist het nooit zeker hè ? Je deed je best, maar zekerheid had je niet.’

‘De mens is nu eenmaal zondig. Daar kwam je niet onderuit.’

‘Maar nu is het voorbij. Man wat ben ik opgelucht.’

‘Anders ik wel. Zullen we eens kijken of we nog een kopje kunnen krijgen ?’

‘Laten we het er maar van nemen. We hebben het misschien niet verdiend, maar het wordt ons gegeven. Het is genadekoffie.’

Hun opluchting delend liepen Arnout en Egbert naar de bar, waar ze de engelen vroegen om nog een kopje koffie en of er misschien ook iets bij was. Dat was er zeker: zandkoekjes, boterkoek, ouderwetse glacés, gevulde koeken, krakelingen. Arnout glunderde. ‘Allemachtig, ze hebben het hier duvels goed voor elkaar.’

Nadat ze de kopjes hadden teruggebracht, besloten ze wat rond te kijken en dan op zoek te gaan naar dominee van Dijssel. ‘Of zullen we eerst nog een keer naar God gaan kijken ?’opperde Egbert. Echt veel zin had Arnout daar niet in, maar dat liet hij niet merken. Ze liepen weer de stille zaal in en keken op de videoschermen naar wat zich op het toneel afspeelde.

Dat was niet overdreven veel. God zat op zijn troon en Jezus zat ernaast. Op de ‘zonentroon,’ zoals Arnout het luchtigjes noemde. Hij schrok er zelf van en vouwde snel de handen.

‘Die vrouw’ fluisterde Egbert, wijzend op de oudere dame die achter de tronen het podium aanveegde. ‘Dat zal toch niet …..’ In stilte overwogen ze de mogelijkheid.

‘Denk je ?’

‘Jah, ik ben bang van wel.’

‘De moeder bedoel je ? Of Magdalena ?’

‘Tja, ik denk de moeder. Hebben de katholieken het toch bij het rechte eind gehad Arnout, ben ik bang.’

‘Nou ja, ze is een soort assistente. Ik bedoel, ze zit niet op een troon.’

‘Da’s waar. Da’s helemaal waar. Ze heeft geen ereplaats, zoals ze altijd beweerden. Dus als ze erover beginnen, dan wrijven we dat die katholieken wel onder de neus, kerel.’

‘Juist. Zouden er hier veel katholieken zijn ?’

‘Nou er zijn echt ook wel goede katholieken, Arnout. Toch ?’

‘Jawel, natuurlijk. Maar hoeveel ? Procentueel, bedoel ik.’

‘Misschien zijn daar wel statistieken van.’

‘Laten we eens gaan informeren naar het een en ander. Statistieken, waar we de dominee kunnen vinden, waar we slapen. We moeten een beetje inburgeren.’

Al snel werd een receptieruimte gevonden, waar engelen geduldig en vriendelijk alle vragen beantwoordden. Statistieken van de aanwezigen ? Zeker waren die er. Egbert bekeek de uitdraai met een licht teleurgestelde blik. Er bleek weinig verschil te zijn tussen katholiek en protestant. En zelfs vrijgemaakten en artikel 31ers vielen niet op in de mêlee van cijfers.

Dominee van Dijssel werd gevonden in het register. De engel toetste een paar cijfers in en zei ‘Als u even wacht dan komt hij hier vanzelf heen.’ Arnout glunderde. Wat een efficiëntie. Daar kon zijn pluimveebedrijf nog een puntje aan zuigen.

Slapen deed men hier niet, hoorden ze. En omdat ze de vraag over de Heer loven toch meer iets voor een dominee vonden dan voor een engel, werd besloten dat Egbert de dominee zou opvangen en Arnout in de tussentijd drie glazen rosé zou ophalen. Smaken waren hier niet anders dan op aarde, had de engel hen verzekerd.

Dominee van Dijssel was verheugd zijn vroegere ouderlingen te zien. Voor de rosé en de gevulde koeken die Arnout hem aanbood, bedankte hij echter. ‘Ik moet een beetje om de lijn denken,’knipoogde hij. En inderdaad was de dominee flink aangekomen sinds ze hem voor het laatst zagen.

Op de vraag over loven bleef het even stil. ‘Ja,’ antwoordde dominee van Dijssel toen bedachtzaam, ‘men dient ook hier de Heer te loven.’ Arnouts gezicht betrok. ‘Niet iedere dag,’ voegde de dominee eraan toe. ‘Twee keer per week is voldoende.’ Egbert vond dat niet meer dan logisch en had er geen probleem mee. Hij informeerde naar een paar andere overleden gemeenteleden, en het volgende uur rolden de anekdotes over het tafeltje waarop Arnout intussen een dienblad had gezet met een fles rosé en een fles witte wijn, een stapel glacés en een hele boterkoek.

Toen het gesprek even stil viel en de dominee een sigaar opstak, ontviel Arnout de vraag die in zijn hoofd had rondgespookt maar die hij eigenlijk helemaal niet had willen stellen. ‘En als ik het niet doe ?’ Ze keken hem vragend aan. ‘En als ik niet twee keer per week loof ? Als ik het helemaal niet meer doe ?’

Egbert keek naar de grond, dominee van Dijssel keek naar Egbert en Arnout keek naar de dominee. Die voelde wel dat hij iets moest zeggen. Zijn gezicht kreeg een gepijnigde uitdrukking. ‘Kerel, Arnout, eh, dat is hier…. ongepast. Men looft den Here. Twee keer per week is toch niet zoveel ?’Arnout zei niets. ‘Maar wellicht kan met één keer volstaan worden. Ja, één langere lofzang, mits met volle concentratie, is wel acceptabel.’

‘Kijk aan,’ zei Egbert. Maar Arnout hapte een glacé weg, veegde de kruimels op de grond en hield vol: ‘En als ik het helemaal niet meer doe ?’

Dominee Dijssel stond op. ‘Het is een gewetenskwestie Arnout’ zei hij nadrukkelijk. Het leek hem een oneliner waar Arnout niet van terug zou hebben. Maar dat viel tegen.

‘Ik ben er nou toch ? Ze kunnen me toch niks meer maken ? We zitten hier toch voor eeuwig ?’

De dominee legde een hand op beider schouder bij wijze van afscheid en stelde al weglopende ‘De Heer veronderstelt natuurlijk wel een zekere continuïteit van ….’ Waarvan precies was niet meer te verstaan.

Arnout weerstond Egberts verwijtende blik. ‘Het is toch zo ? Dat is toch de belofte ? Voor eeuwig bij God. Nou we zijn er, dus wie maakt ons nog wat ? Al gaan we hier in onze blote kont lopen. Al zuipen we die bar leeg en grijpen we elke dag een lekkere engel. Toch ?’

De reactie die hij kreeg, had Arnout niet verwacht. Hij voelde ook niet helemaal fair, maar effectief was hij wel.

‘Wat zou Irene hiervan zeggen ? Of Jantine ?’

Vooral die laatste naam kwam aan. Waarschijnlijk was het een toevalstreffer van Egbert, die vast niet wist hoe de dood van zijn oudste zus Arnout had aangegrepen. Plotseling vloeiden er tranen. ‘Jantine.’ Arnout stond op. ‘Jantine, waar ben je ? Geëmotioneerd liep hij naar de engel die hen eerder had geholpen. Een paar wachtende mensen opzij duwend riep hij ‘Jantine Verschuren uit Barneveld. Wilt u die nu oproepen ?’ De engel verwees hem naar een assistente die juist aan kwam lopen. Arnout bedaarde wat. ‘Wilt u mijn zus oproepen ? Jantine Verschuren uit Barneveld. In Nederland.’

‘Wij weten waar Barneveld ligt,’ glimlachte de engel. Even later was de glimlach verdwenen. ‘Ik kan hier alleen een Jantine Verschuren vinden die in 1937 overleden is. Maar dat is niet uw zus, denk ik.’

‘Nee. Dat zal mijn overgrootmoeder zijn. Maar mijn zus moet hier zijn. Dat kan niet missen. Ze was een schat. Ze was als een moeder voor ons, stond altijd klaar om te helpen, klaagde nooit. Een engel was het. Jantine was een engel. Wilt u nog eens goed kijken ? Ze moet hier zijn.’ Egbert, die erbij was komen staan, beaamde dit. ‘Een schat was het, absoluut. Die lieve glimlach was van zichzelf al hemels.’

De engel keek hem peinzend aan. ‘Ik zal nog eens kijken, maar ik ben bang….zoals u haar beschrijft….’ Nog eens raadpleegde de engel het register. ‘Nee, ze is hier honderd procent zeker niet. Ze is in de hemel.’

Als een baksteen viel een stilte in hun midden en bleef daar lang liggen.

‘De…..hemel ? stamelde Egbert. Hij begon te beven en zonk met gevouwen handen op zijn knieën. ‘O looft den Here, en zijn zusters en broeders, genadige Heer der Heerscharen …,’ Zijn stem klonk gesmoord. ‘…..woestijn ….. overspel …. kerkbalans…’

Ook Arnout was overstuur. ‘Wat krijgen we nou ? De hemel ? Dit hier is toch de hemel ? Wel alle taaie tyfuskippen, wat zullen we nou krijgen ? Dat is toch God daar in die hal, met zijn zoon ? En die werkster is toch Maria ? Het is hier toch gratis eten en drinken ? We zijn hier toch goddomme in de hemel, of niet soms ?’

‘Het is maar hoe u het bekijkt,’ antwoordde de engel en verdween met een vriendelijk knikje.