De Kuip

Het onderstaande artikel schreef ik voor het onvolprezen blad 'De oud-Rotterdammer'.

Vriend en vijand is het erover eens. Het mooiste stadion van Nederland staat in Rotterdam. Het stadion met de meeste sfeer staat in Rotterdam. De trouwste aanhang zit er op de tribune.

De eerste keer dat ik daar zat, was ergens halverwege de jaren ’60. Papa had me niet verteld waar we heen gingen. Dus kon ik mijn ogen niet geloven toen we over de spoorbrug liepen, het stadion opdoemde en we met de stroom mee naar de ingang gingen. Als je in Rotterdam woont, een jaar of 10 bent en je leven voornamelijk uit voetballen bestaat, dan is de Kuip het heilige der heiligen.

Van het kopen van kaartjes herinner ik me niets. Des te meer van het beklimmen van de ijzeren trappen. Als je vanaf de grond omhoog keek, dan leek het stadion niet zo hoog. Maar naarmate we vaker een draai maakten op de in elkaar gevlochten trappen – je kwam steeds dezelfde mensen tegen - stegen de zenuwen. Wat waren de afstanden tussen de spijlen groot ! Daar kon zo een kind van tien doorheen. Onderweg zag ik door de glaswand glimpen van het veld en de tribunes en probeerde ik chocola te maken van magische codes in rode letters boven de ingangen. DD, DE, FE. Huh ?

De Kuip was driekwart vol en de zon scheen. Het leven was goed. Mijn vader wees op de witte overhemden overal (op de staantribunes wat minder). Met mijn witte truitje voelde ik me er ook bij horen. Uitbundig van karakter waren wij niet. Terwijl de emoties als een wave over de tribunes golfden, ontglipte ons hooguit een ‘oe’ bij een schot of een verontwaardigd ‘hé !’ bij een overtreding. “Wat een ruwe speler is die Kruiver toch,’ is de langste tekst die ik me van mijn vader herinner. In mijn herinnering werd het 0-2, maar als ik in de statistieken van Feyenoord – Sparta kijk, komt die uitslag niet voor. Dat Eddy Pieters Graafland moest vissen, staat echter vast. Ik zie hem nog vergeefs duiken naar de bal. ‘Te ver voor ze kool’ klonk het overal om ons heen.
Feijenoord deed er alles aan, doch het mocht niet baten. Wat teleurgesteld – OK, Sparta was ook Rotterdams, maar wij woonden op Zuid – hoorden we het eindsignaal aan. ‘Geef iedereen maar een handje, en dan gaan we,’ maakte papa het standaardgrapje. Naar huis, voor soep en Frits van Turenhout met de toto uitslagen.

De Kuip op zijn mooist heb ik alleen op tv gezien. Wim Jansen 1-0; van Hanegem 2-0; van Daele 1-0. Ik hoef verder niets uit te leggen, neem ik aan.

Een andere wedstrijd die me bij is gebleven was halverwege de jaren ‘70. Ik schaam me er met terugwerkende kracht voor, maar een baldadige vriend haalde me over om met hem naar binnen te piepen bij de halve bekerfinale PSV - Ajax. Waarom die in de Kuip werd gespeeld, weet ik niet. Erin piepen, dat was nog veel enger dan die trappen destijds. Overal liepen mannen met honden. Gelukkig lukte het, door een listige strategie: niet over het hek klimmen, maar op een tickethuisje. Plat op het dak liggen, wachten, springen, rennen, lachen.

Dat laatste werd meer gedaan die avond. Het publiek bestond uit PSV fans, Ajax fans en neutrale Rotterdamse voetballiefhebbers. Die allemaal - gek hè ? - voor PSV waren. Toen Ajax keeper Heinz Stuy kort voor het einde de bal knullig losliet en v.d. Kerkhof verbaasd de bal binnen tikte, kwam driekwart van het publiek niet meer bij.

In diezelfde jaren ’70 werd de functie van de Kuip uitgebreid. Het bleek een goeie locatie voor popconcerten. Bestuurders hebben soms hun hart vastgehouden bij het zien van de springende menigte. Want de vrij hangende tribunes bewogen gezellig mee. Gelukkig is het altijd goed gegaan. Een van de eerste grote evenementen was de komst van Eric Clapton en Bob Dylan voor een dubbelconcert. Volle bak natuurlijk. De bluesman uit London vond ik wel op zijn plek in de Kuip; die intellectueel uit de VS niet. Ik maakte een statement door na Clapton weg te gaan. Het maakte weinig indruk en ik heb er nog steeds spijt van.

Met die concerten werd een traditie opgepakt. Want voor en na de oorlog vonden er grote bijeenkomsten plaats in de Kuip. Van vakbeweging, kerk en scholen. Honderden turnsters die figuren maakten op het veld; vlammende toespraken. Ook waren er atletiek- en bokswedstrijden. Liefst 65.000 man konden er toen nog in. Onvoorstelbaar wat een emoties er door deze tempel zijn gegaan in die ruim 70 jaar.

Het idee was van (oude spelling) Feijenoordvoorzitter Leen van Zandvliet, wiens naam vereeuwigd is in het plein naast de Kuip. Architect van de Vlugt maakte er een uniek gebouw van. Geïnspireerd op Arsenal’s Highbury, maar met een voor die tijd revolutionaire, doorlopende bijna ronde vorm. Feijenoord aanvoerder Puck van Heel sloeg in 1935 de eerste paal en twee jaar later werd er gevoetbald.

Was het voor de generatie van mijn ouders vooral de plek waar legendarische Nederland – België’s werden uitgevochten (weet je nog, toen we met pannendeksels de 7 - 2 vierden ?); voor de oudere Rotterdammers van nu zal de Kuip wellicht het meest geassocieerd worden met Coen Moulijn. De slanke man met de snelle bewegingen en de loepzuivere voorzet. Die dat dreigende gebaar maakte naar de veel grotere Real Madrid speler die hem neerhaalde, uit frustratie over de 2-1 nederlaag tegen dat onbekende clubje uit Rotterdam. Coen Moulijn, die Zuid sinds jaar en dag van eveneens loepzuivere kleding voorziet. Ik vroeg hem wat voor woorden er opkomen als hij denkt aan de Kuip.
‘Warm. Contact. Of je nu linksbuiten liep of op het middenveld of op rechts (dat laatste moet hij van horen zeggen hebben. pvk), je had altijd contact met het publiek. Als je de tunnel uit kwam dan voelde je de warmte over je heen komen. Dan stond je al met 1-0 voor. Tegenstanders waren allemaal bang om naar de Kuip te komen.’ Stilte. ‘Dat is de laatste tijd helaas iets minder, ja.’

En nu dan de plannen voor een nieuw stadion. Het schijnt onvermijdelijk te zijn. We moeten mee in de vaart der voetbalvolkeren. Zeggen ze. O, het zal vast een mooi stadion worden, daar in de bocht van de Maas. Maar Kuip wil ik het niet noemen. Want hoe verplaats je historie, emotie en liefde ? Dat zal niet gaan.

Ik denk er maar liever niet aan. Zolang het nog kan geniet ik op de Brienenoordbrug van het – sinds de renovatie in 1996 - zilveren wonder. En op zondagmiddagen van het gejuich, dat ons over de Maas net bereikt op ons Kralingse balkon. OK, dit jaar dus niet zo vaak. Maar wacht maar, het komt goed. Mario, breng de Kuip nog een paar seizoenen in vervoering, voor we hem definitief los moeten laten!