Bommelstein aan de Maas

“Chief Whip…..op ieders lip”

“Chief Whip….. op ieders lip”

Zo lang als we konden, bleven we achterom kijken en hardop meelezen met de aan- en uitflitsende reclame. Papa stuurde het autootje over de Willemsbrug het Noordereiland op, en eenmaal over Koninginnebrug verloren we de rode letters uit het oog. Mijn zus gaf dat eerlijk toe, ik beweerde ten onrechte dat ik ze nog kon lezen en mijn broer zag ze het langst, want die was het grootst. Zusje deed niet mee.

Papa’s vader en mama’s moeder woonden in het Oude Noorden. Menige zondag, na de kerk en de koffie thuis op Zuid, reden we erheen. Bij opa in de Zaagmolenstraat was het nogal saai. Dat we die middag één zandkoekje zouden krijgen en een glas Seven up, wisten we al. Als je pech had, was de prik er al een week uit. Thee zetten gebeurde in de ‘keukenkast’: twee deurtjes in de woonkamer waarachter zich een gootsteen en een tweepits gasstelletje bevonden. Thee gezet, kastje dicht. (Ik moet er altijd aan denken als ik reclames zie voor een ‘spotgoedkope complete keuken’ voor 8000 euro) Kijken in het spionnetje was nog het leukst. Je keek dan op het kruispunt met het Zwaanshals. De tram zag je van ver aankomen, en als hij vlakbij was dan verscheen hij opeens levensgroot voor het raam. Grappig ja. Helaas kwam de tram niet zo vaak op zondag….

Oma in de Wilgenstraat had tenminste oud speelgoed. Magische blikken dingen en rare blokken met grote druppels hars eraan. We kregen siroop met een snoepje en bij het afscheid nog iets lekkers voor onderweg. Het gezin kroop in de Renault Dauphine en we reden langs de Rotte naar de Mariniersweg.

Daar zagen we het hoge witte gebouw al staan, met de rode lichtreclame op het dak. “Chief Whip, op ieders lip.” Wie kent het merk nog ? De meeste rokers ervan zijn al overleden; al dan niet geholpen door de Chief. Langs het Witte Huis rijdend, keek ik met grote ogen naar de torentjes, de ramen, de versieringen. Dat was nog eens andere koek dan de saaie, strakke kantoorgebouwen in het centrum. Een kasteel, leek het. Het kasteel van Chief Whip. Want dat het gebouw zijn dak gewoon verhuurt aan de meest biedende, besef je als kind niet.

De meest biedende is nu een verzekeraar. Alleen een naam, niks aan- en uitflitsen. ’t Most niet magge.

De eerste wolkenkrabber van Europa was het, jawel. Het Witte Huis dateert van 1893 of 1898, al naar gelang je het ontwerp of de voltooiing als ijkpunt neemt. Architect Molenbroek en aannemer Stelwagen negeerden de sombere voorspellingen van hoofdschuddende ‘deskundigen’. Over wegzakken in de weke Rotterdamse bodem, brandgevaar, duizelingen door de hoogte, en wat al niet. Voor de zekerheid bepaalde het stadsbestuur wel dat het gebouw alleen kantoren mocht herbergen. De naam ‘woontoren’ (het woord ‘wolkenkrabber’ kende men nog niet) was dus net zo misplaatst als Witte Huis.

Dat drukte de pret niet. Zeven verdiepingen telde het gebouw, plus drie extra op het dak. Veel oude Rotterdammers hebben nog op dat dak gestaan; het was als uitzichtpunt een soort voorloper van de Euromast. Het Witte Huis was een wonder van Rotterdamse durf en techniek. Drie miljoen stenen, 120.000 geglazuurde witte tegels, 1000 heipalen, twee liften, centrale verwarming, met kurk geïsoleerd dak. In 1898, hallo, ben u daar ? En dat voor een prijs waarvoor je nu nog geen piepklein flatje in de aanstaande nieuwe buurman, woontoren Wijnhaeve, hebt: een kleine 60.000 euro.

Het pand beleefde de oorlog op allerlei manieren. Het was getuige van de moed van de mariniers bij het gevecht om de Willemsbrug. De vele kogelinslagen, deels weggewerkt bij de renovatie in de jaren ’90, getuigen nog van die strijd. De Duitsers gebruikten het gebouw in de oorlogsjaren als uitkijkpost en mogelijk ook als radarpost. Het bombardement was toen al achter de rug. Er zijn dramatische foto’s van het Witte Huis in een kaalgeslagen landschap, eenzaam, verbijsterd. Maar overeind. Met de Laurenskerk, ook al zo’n hoog gebouw dat ten onrechte twijfels over de bestendigheid opriep, werd het een symbool voor het aangeslagen, maar ongebroken Rotterdam.

Nu kijk ik vanaf mijn balkon aan de Maasboulevard op het Witte Huis. Dezelfde naam die mijn ouders hun huis in Friesland gaven. Die steeds opnieuw opduikt in mijn leven. Vorig jaar nog, in Rome. De Italiaanse vrouw van een Phillips directeur had, toen ze in Nederland woonde net na de oorlog, verdienstelijk geschilderd. Of ik geïnteresseerd was in haar werk, vroeg de dochter. Nou nee. Maar dat zeg je niet, dus zat ik even later door een map met kunst te bladeren. De laatste linoleumsnede toonde …..het Witte Huis, gezien vanaf het Noordereiland. En toen viel het me opeens op, misschien doordat het een zwart wit tekening was. Die torentjes, het romantische uiterlijk, de magie, de trotse uitstraling van een onverwoestbare weduwe. Dat had ik eerder gezien. In de boeken van Marten Toonder !

Geen twijfel mogelijk, het Witte Huis is Bommelstein. Bewust of onbewust moet de, in Rotterdam geboren en getogen, tekenaar het kasteel ernaar gemodelleerd hebben. En wie daaraan twijfelt, mag bedenken waar de heer van stand ook weer woonde. Juist, in ‘Rommeldam’.

Het Witte Huis staat al op de lijst van Rijksmonumenten. Het mag ook wel eens een literaire bloem op de jas gespeld krijgen.